Nr. 1 reissite in Vlaanderen

New Dutch: Tilburg en Eindhoven in een gerecycleerd jasje

Iets nieuws past niet in een oude vorm, denken we. In Tilburg en Eindhoven bewijzen ze al jaren het tegendeel. In een oude locomotievenhal zitten studenten te blokken onder immense gordijnen en je checkt in voor een aangename nacht in een klooster van zeshonderd jaar oud. Dit is Noord-Brabant, en dit is wat ze hier New Dutch noemen. Geen molens, geen tulpen, geen grachtengordel. Wel de industrie van de voorbije eeuw, die niet werd gesloopt maar opnieuw uitgevonden. Hoe steden hun fabrieken, kloosters en zelfs hun afval opnieuw uitvinden.

New Dutch is een verzamelnaam die de Nederlanders zelf bedachten voor wat er in Noord-Brabant gebeurt, en dat klinkt vaak goed in theorie. Maar nu ook in de praktijk. Want Tilburg en Eindhoven liggen niet alleen dicht bij elkaar, ze hebben ook hetzelfde verleden. Allebei waren het steden die volledig rond één industrie gebouwd werden, en allebei raakten ze die kwijt. In Tilburg was dat wol en spoor: honderden fabrieksschoorstenen en een spoorwerkplaats. In Eindhoven was dat Philips, dat niet alleen fabrieken bouwde maar ook huizen, scholen, parken en sportvelden voor zijn personeel.

Het verschil zit in wat er daarna kwam. Tilburg bleef maken met zijn handen, en dat zie je in het TextielLab, waar ontwerpers uit de hele wereld hun stoffen komen weven. Eindhoven ging bedenken, en werd met Brainport een van de belangrijkste technologieregio’s van Europa. De ene stad houdt het ambacht levend, de andere de uitvinding. Samen leggen ze uit wat New Dutch eigenlijk betekent.

Deze reportage kwam tot stand in samenwerking met NBTC – Holland.com.

De verboden stad

Je stapt uit in Tilburg Centraal en staat meteen op de plek waar het verhaal begint. Aan de overkant van het station ligt de Spoorzone, en tot voor kort kwam je daar niet binnen. Tilburgers noemden het daarom ook de verboden stad. Achter de hekken lag sinds 1868 de hoofdwerkplaats van de spoorwegen, waar in de jaren erna zo’n 1.400 mensen aan locomotieven sleutelden. Tot in 2011 de stad deze grond kocht en de hekken voorgoed weg gingen.

In de grootste hal zit vandaag de bibliotheek. Tot 2009 werden hier nog locomotieven onderhouden, begin 2019 ging de LocHal open, en datzelfde jaar riep het World Architecture Festival het gebouw uit tot beste gebouw ter wereld. Waarom, dat snap je nog voor je binnen bent. De staalconstructie uit 1932 staat er gewoon nog, de hal is niet netjes gemaakt maar opnieuw ingericht. En overal zit het hergebruik in de details: de lampen zijn gemaakt van gerecycled plastic, de zitbanken van boeken, en zes reusachtige textielwanden van ontwerpster Petra Blaisse schuiven door de ruimte om er een concertzaal, een leeszaal of een theater van te maken.

De hernieuwde plek werkt. Kom je er op een doordeweekse dinsdagmiddag, dan zitten de trap vol studenten met laptops, drinken mensen een koffietje in het StadsCafé LocHal en beland je plots in een fototentoonstelling op de bovenste verdieping.

Buiten is het verhaal nog niet af. Langs de oude werkplaatsen en nieuwe cafés liggen nog wat straten open en staan hoge kranen klaar voor het volgende project. Een daarvan is de Clarissentoren, een woontoren van 130 meter. De Spoorzone is geen voltooid project, dus verwacht zeker nog geen afgewerkt plaatje. Wie wil zien hoe deze buurt groeit, komt wel precies op tijd.

Geen foto’s in het lab

Die grote gordijnen in de LocHal komen hier vandaan. Een kilometer verderop, in een oude wollenstoffenfabriek van Christiaan Mommers, zit nu het TextielMuseum. Van buiten zie je nog steeds de fabriek: baksteen, schoorsteen, en binnenplaats. Binnen loop je dan weer door een glazen gebouw uit 2008, een prachtig voorbeeld van de samensmelting tussen oud en nieuw.

Hier duik je de weefgetouwen in, in de Tilburgse wolindustrie. Na de pre-industriële uitstalling begint het verhaal verder. Je ziet een weefgetouw met jacquard, krijgt uitleg over de bijzondere sector, en je kan ook zelf je eerste stappen zetten. In het echt met wol of met een eigen probeersel op het grote scherm. Het TextielLab is ook geen normale tentoonstelling, het is een werkplaats waar ontwerpers, kunstenaars, studenten en merken uit de hele wereld hun stoffen komen maken. Op elk moment wordt er gewerkt. Een vrouw zit gebogen over een tuftpistool en trekt draad na draad een landschap: bloemen en bomen verschijnen langzaam op het doek. Verderop werken de nieuwste machines ritmisch aan innovatieve, nieuwe manieren. Je mag er niet fotograferen, want de computergestuurde Stäubli staat in volle ontwikkeling.

De tweede verboden stad

Twintig minuutjes. Zo lang duurt de treinrit van Tilburg naar Eindhoven, en in die tijd reis je van de ene verboden stad naar de andere.

Want ook Eindhoven had er een. Strijp-S was een wijk voor wie bij Philips werkte, anders kwam je er niet in. Achter de hekken van het beroemde merk werden radio’s en televisies in elkaar gezet, in gebouwen die vandaag nog altijd het decor vormen. Zo zie je het Natlab uit 1922, het Klokgebouw uit 1928, het Ketelhuis uit 1929, en het Veemgebouw uit 1942. Rond 2000 gingen de hekken weg en veranderde het stedelijk landschap hier. Vandaag wonen er zo’n drieduizend mensen en zitten er heel wat nieuwe bedrijven.

In Nederland zie je alles het best vanop de fiets, en die staat in Eindhoven altijd klaar. Begin in het centrum richting Philipsdorp, de fabriekswijk dat Philips vanaf 1910 voor zijn arbeiders liet bouwen. Rijtjes lage huizen, groen ertussen, allemaal in hetzelfde handschrift. Philips bouwde niet alleen woningen maar ook scholen, parken en sportvelden, en dat was geen liefdadigheid: tussen 1890 en 1920 groeide Eindhoven met zijn buurdorpen van 19.000 naar 43.000 inwoners. Die mensen moesten ergens slapen, en ze moesten ’s ochtends op tijd aan de band staan. Fiets er rond en je fietst eigenlijk door een bedrijfsplan van honderd jaar oud.

Naar Woensel

Je komt ook door Woensel West, en dat is het eerlijkste stuk van de dag. Niet omdat je hier iets moet zien, maar omdat je hier begrijpt waar dit hele verhaal over gaat. Zet dus geen fotostop in je planning. Rij door en kijk. Je ziet een gewone wijk die er goed bijligt: gekleurde gevels, smalle straten, kleine winkels in plaats van ketens, jongeren die op fatbikes voorbijscheuren. Op geen enkel moment onveilig. Opmerkelijk, want vijfentwintig jaar geleden was dit een van de zwaarste wijken van Nederland. Philips vertrok met de beter betaalde werknemers, de woningen verouderden, en heroïne en straatprostitutie maakten hele hoeken ’s avonds no-gogebied.

Wat volgde was niet alleen een renovatieverhaal maar een mensenverhaal. Woningcorporatie Trudo koos in 2011 voor “emancipatie in een ander decor”: eerst de bewoners, dan de stenen. Nieuwe huurders kregen voorrang als ze iets voor de buurt deden, er kwam een naschools programma voor kinderen, en er werd zwaar geïnvesteerd in basisschool ’t Palet, die in 2013 tot beste van Brabant werd uitgeroepen.

En toch is het verhaal niet af. Enkel een speeltuintje bouwen is op lange termijn niet voldoende. De wijk heeft haar problemen niet weggepoetst, ze heeft ze zichtbaar gemaakt en daar wordt nog steeds wel aan gewerkt. Woensel is absoluut geen must tijdens je citytrip, toch brengt het je naar plaatsen waar je wordt verrast. Zeker wat verderop.

Sloophout en truckafval

Fiets je verder naar de Halvemaanstraat, dan kom je op een terrein dat vroeger een keramiekfabriek van Philips was. Nu zit Piet Hein Eek er, en het woord dat het best past is niet winkel of atelier maar dorp. Onder één dak vind je zijn fabriek, een showroom, een shop, een grand café, een restaurant, een galerie, een hotel en zelfs een dakbar. Je loopt van het ene naar het andere zonder buiten te komen.

Eek studeerde aan de Design Academy hier in de stad en werd bekend met kasten van sloophout: meubels waarin de verf, de barsten en de spijkergaten van het oude hout net wél zichtbaar blijven. Geen restauratie, geen gladstrijken. Wat versleten is, mag versleten zijn. Dat principe zie je in de hele loods terug, tot in de tafels waar je aan zit te lunchen.

In de showroom vind je vervolgens waar dat principe toe geleid heeft. Prachtig werk, maar een dressoir van vijfenveertigduizend euro is geen souvenir. Wie iets wil meenemen, gaat beter naar de shop, waar kleinere stukken en restmateriaal een tweede leven krijgen tegen menselijke prijzen.

Het interessantste verhaal op het terrein is intussen niet meer dat van Piet zelf. Zijn tweelingdochters Roos en Geertje Eek begonnen in 2019 het sieradenlabel Tweek-Eek, waarvoor ze machines gebruiken die helemaal niet voor juwelen bedoeld zijn, maar voor de meubel- en hightechindustrie. Ze maken alles in Nederland, met restmateriaal, en in de zomer van 2026 bouwen ze op weg naar de Paris Fashion Week, met een heus afvalhuis vol sieraden. Het afval komt deze keer uit Volvo Trucks, en dat is zichtbaar aan hun nieuwe lijn. Het is dezelfde logica als die van hun vader, één generatie verder en in een heel andere sector.

Een UFO uit 1966

Vanaf het centrum fiets je er in een kwartier naartoe, en je ziet hem al van ver opduiken. Het Evoluon ziet eruit als een vliegende schotel die een ietwat andere betekenis kent dan een écht vliegend object. Philips liet het bouwen voor zijn vijfenzeventigste verjaardag, naar een ontwerp van Louis Kalff en Leo de Bever, en in 1966 ging het open als sciencemuseum. Voor een hele generatie Nederlanders (en ook Belgen) is dit de plek waar ze als kind voor het eerst over de toekomst leerden.

Die magie is er nog. In 1989 sloot het gebouw voor het publiek en vanaf 1998 was het vooral een congrescentrum, tot Next Nature het in 2022 opnieuw als museum opende. De expo die er nu loopt, Once upon a time… the Earth, bekijkt de aarde als een levend systeem: je reist terug door de geschiedenis van onze communicatiemiddelen, je ziet welke materialen er precies in je gsm zitten, en je daalt af naar de kern van de planeet.

Het is een gebouw dat je bewust maakt van hoe wij naar de toekomst kijken, en dat doet het beter dan welke tentoonstelling ook. Want het echte museumstuk is het gebouw zelf. Die betonnen schotel aan de rand van Eindhoven was in 1966 een belofte, en zestig jaar later staat hij er nog altijd alsof hij net is geland.

Slapen in een klooster

Van alle overnachtingen die je in Tilburg of Eindhoven kan boeken, is er één die een verhaal heeft, en dat is Mariënhage. Je checkt er in op een plek waar in 1420 Augustijner koorheren een klooster bouwden, en dat deden ze op de restanten van iets nog ouders: kasteel Ten Hage, waar de naam vandaan komt. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog legden de Spanjaarden het complex in de as. De kloosterlingen kwamen terug en bouwden het opnieuw op.

De Augustijnen bleven er van 1834 tot 2013, bijna twee eeuwen. Ze zetten in 1892 de Paterskerk neer en breidden in 1924 verder uit. Toen de paters te oud werden, nam DELA het over, en sinds november 2019 heet het geheel DOMUSDELA: hotel, restaurant en evenementenlocatie in één. Waar vroeger de speelplaats van de katholieke school lag, staat nu een strakke witte aanbouw met de receptie en de bistro. Zeshonderd jaar geschiedenis en een nieuwbouw die daar niet voor wegkruipt, maar er ook niet mee wedijvert.

Voor het avondeten fiets je naar Kazerne, een oude militaire site die vandaag een van de mooiste adressen van de stad is. Design, galerie, hotel en restaurant zitten er door elkaar, met een open keuken waar je gewoon in kan kijken. Je proeft de geschiedenis er niet, die zit alleen nog in de naam, maar als avondplek werkt het uitstekend. De plek is ook voor Belgen interessant, want door deze kazerne kon Eindhoven misschien wel op Belgisch grondgebied liggen.

En wie daarvoor nog een aperitief wil: de skybar van het NH Collection kijkt over de hele stad uit. Goedkoop is een skybar nergens, ook hier niet, maar het uitzicht levert wel iets op wat je op straatniveau mist. Je ziet hoe groen Eindhoven eigenlijk is, en je fietst er een halve dag later dwars doorheen. De hapjes bij de cocktail zijn genereus genoeg om je avondeten in gevaar te brengen.

Met de fiets, zelfs vanuit België

Dit is geen stedentrip waarvoor je een auto nodig hebt. Tilburg en Eindhoven liggen tweeëntwintig treinminuten uit elkaar, en in Eindhoven staat je fiets aan het hotel. Je rijdt van wijk naar wijk, springt eraf bij Piet Hein Eek, doet een rondje om het Philips Stadion en bent nergens langer dan een kwartier onderweg. Wie liever wandelt, kan alles ook te voet doen, alleen zie je dan minder van de stad.

Qua timing: een halve dag Tilburg en anderhalve dag Eindhoven is een eerlijke verdeling. Wil je uitgebreider, plan dan een extra halve dag voor het Van Abbemuseum en het centrum van Eindhoven, waar het winkelaanbod beter is dan de industriestad doet vermoeden. Lunchen doe je in Tilburg bij Smeer ‘m, handig als je met de trein komt of vertrekt, maar ook Eetbar De Wagon is een aanrader als je wat meer tijd hebt om te eten. Hier eet je in een unieke treinwagon uit 1930, pal in de spoorzone.

En dan is er nog een mooiere manier om er te geraken. Tussen Turnhout en Tilburg ligt het Bels Lijntje, ruim dertig kilometer fietspad op het tracé van een oude spoorlijn. Die lijn opende op 1 oktober 1867 en werd door de Belgen aangelegd, vandaar de naam. In 1958 reed de laatste reizigerstrein, in 1973 stopte ook het goederenvervoer, en daarna kreeg het tracé zijn tweede leven: de Belgische kant werd in 1985 fietspad, de Nederlandse in 1990.

Meer info

Holland.com

Copyrights foto’s: Jordi De Smedt

Ontdek Chimay: een weekendje weg in de rust van Zuid-Wallonië

Hoei: stad van geschiedenis en adembenemende uitzichten boven de Maas

De Grotten van Han en de charme van Rochefort en omgeving

Doornik: de parel van de geschiedenis en cultuur van Zuid-België

GRANDE REPORTAGES

New Dutch: Tilburg en Eindhoven in een gerecycleerd jasje

Spa: van de bronnen naar de bossen in het hart van de Ardennen

VIVA Cruises brengt nieuwe dimensie van riviercruises doorheen Europa