Verhalen uit het kleurrijke zuiden van Vietnam

Een reis door het zuiden van Vietnam bleek een trip naar een eindeloos fascinerende wereld. Verslag van onze reporter, voor het eerst op bezoek in Azië.

In Ho Chi Minh City (Saigon), stappen we in een minibus richting Cai Be, hartje Mekongdelta. Naast de duizenden scooters – per jaar komen er in Saigon alleen al 400.000 stuks bij – vallen ons onderweg de vele eet- en drankgelegenheden op. De weg is er letterlijk mee bezaaid. Onze gids Stephanie legt uit: “De huizen die langs de hoofdweg liggen, zijn duurder dan die op het platteland. De mensen die er wonen, proberen op deze manier een centje bij te verdienen.” Het zal niet de laatste keer tijdens onze reis zijn dat we worden geconfronteerd met het ingenieuze ondernemerschap van de Vietnamezen.

De Mekongdelta: leven op en langs de rivier

De Mekongdelta neemt amper tien procent in van de oppervlakte van Vietnam, maar zorgt wel voor ruim een derde van de jaarlijkse voedselopbrengst. We zien vooral veel rijstvelden, maar ook palm- en fruitboomgaarden en suikerrietplantages.

Een bootje brengt ons eerst naar de drijvende markt van Cai Be: een en al bedrijvigheid op het water. Je ziet al van ver wat waar te koop is dankzij een stok met daaraan het aangeboden product gebonden. Te koop op en langs de Mekong: veel groenten, fruit en kleding, maar er is bijvoorbeeld ook een tankstation langs het water. In de kleine winkeltjes in het ‘centrum’ van Cai Be staan trouwens ook overal plastic flessen met benzine. Bij gebrek aan echte tankstations én met zoveel scooters in het straatbeeld is dat geen overbodige luxe. Bij ons bezoek aan de markt van het stadje valt het op dat - ondanks de aanwezigheid van kilo’s vis en vlees in deze tropische temperaturen – er géén vieze geuren hangen. Meer nog: het ziet er allemaal erg proper en fris uit. Verder zijn wij hier nog een heuse attractie als enige blanken op de markt. Iets vertelt ons dat dit de komende jaren snel zal veranderen.

Na de lunch en broodnodige power nap staat er een fietstocht langs de fruitplantages op de planning. Onderweg stoppen we om te proeven van het verse fruit: heerlijk! Omdat het regenseizoen toch nog niet helemaal op zijn eind blijkt te zijn, is het ook regelmatig schuilen geblazen. Maar erg is dat niet, de Vietnamezen ontvangen ons met open armen op hun geïmproviseerde overdekte terrasjes. Voor een spreekwoordelijke appel en ei drinken we er vers kokossap en eten we nòg meer fruit. Onze favoriet: de mango’s, die zijn totaal niet vergelijkbaar met de exemplaren die je bij ons vindt.

Ho Chi Minh City of Saigon

De hoofdstad van Vietnam, Hanoi, ligt in het noorden van het land. Ho Chi Minh City – of Saigon zoals de meeste Vietnamezen de stad nog steeds noemen – is met ruim 7 miljoen inwoners wel de grootste stad van het land. Saigon is ook een erg jonge stad: 70 procent van de inwoners is er jonger dan dertig. Dat verklaart meteen ook het min of meer hippe imago van deze metropool. Saigon wil het nieuwe Singapore of Bangkok worden, maar dan is er toch nog werk aan de winkel. Tijdens onze eerste avond hier wandelden we iets na middernacht een (louche) massage­salon uit richting hotel en was het verdacht donker en stil in de straten. Stephanie: “Om middernacht zijn de meeste zaken hier ge­sloten, maar de dag begint hier dan ook erg vroeg, ontbijten doen we al om zes uur.” En dat klopt ook wel, ‘s morgens vroeg zien we de Vietnamezen langs de kant van de weg hun dagelijkse portie pho bo naar binnen werken.

Wanneer je niet lang in Saigon bent, logeer je het best in District 1. Zo kan je de belangrijkste toeristische attracties te voet bereiken. Op het eerste zicht is het verkeer een chaos en lijkt oversteken op een levensgevaarlijk avontuur, maar dat is het zeker niet. Ondanks de drukte rijdt iedereen gedisciplineerd en aan een gezapig tempo. Steek dus gewoon over, aarzel niet en vertraag of versnel niet, dan heb je geen problemen. Wij wandelden van het hotel naar het postgebouw, waarvan de binnenkant werd bewerkt door Gustave Eiffel. Op hetzelfde plein staat de Notre Dame-kathedraal, in 1863 gebouwd door de Franse kolonisten. In de omgeving vind je ook nog het operagebouw, ook al een realisatie van de Fransen (1898) gedurende de periode toen Vietnam nog deel uitmaakte van Indochina. Van een heel andere stijl is het Herenigings­paleis. Dit extravagante paleis betekent veel voor de Vietnamezen omdat de bestorming ervan door het Noord-Vietnamese leger het bepalende moment was voor de val van Saigon en het zuiden. Je kan het paleis bezoeken, maar onze gids vond het zelf niet de moeite waard, dus trekken wij meteen naar het War Remnants Museum. Geen voer voor gevoelige zielen, want hier krijg je ronduit schokkende dingen te zien. Vooral de ruimte over de gevolgen van het gebruik van Agent Orange (ontbladeringsmiddel ingezet door het Amerikaanse leger), bevat hartverscheurende beelden. Het houdt de Vietnamezen echter niet tegen om er met hun – vaak erg jonge – kinderen binnen te stappen en hen uitvoerig te laten zien wat er allemaal is gebeurd ­tijdens de oorlog. Mooi is dan weer de aandacht die ook gaat naar de Amerikaanse en internationale vredesbeweging.

Same Same

Omdat we toch wel wat van slag zijn na ons bezoek aan het museum, zijn we maar al te blij met het voorstel van twee jongemannen met een cyclo (de plaatselijke riksja). Een prijs wordt onderhandeld en weg zijn we. Ze nemen ons mee naar de andere kant van de stad, dwars door het verkeer tussen de duizenden scooters door. We bezoeken een Chinese pagode en vragen waar het verder heen gaat. Omdat we enkele uren later een binnenlandse vlucht nemen, vragen we de prijs voor het ritje terug tot aan ons hotel. “Same same”, luidt het antwoord. En daarmee bedoelden ze dus: prijs maal twee. Het t-shirt dat we de dag ervoor zagen in Cai Be (voorkant: “Same same ” en achterkant “but different ”) lijkt plots een stuk minder belachelijk. We zullen het tijdens de rest van onze reis nog vaak genoeg ondervinden dat de afgesproken prijs aan het einde van de (spreekwoordelijke of letterlijke) rit wordt verhoogd.

Phu Quoc

“Het is nu het moment om naar Phu Quoc te komen, voor het een tweede Phuket wordt”, vertelt Olivier Petit. Petit is general manager van het Chen Sea Resort, zowat het mooiste hotel op het eiland. Phu Quoc ligt aan de zuidwestkust van Vietnam vlakbij Cambodja. ­Tijdens onze tour door het zuiden van het eiland zijn we niet echt gecharmeerd. Ons bezoek aan een ‘pearl farm’ is een grote teleurstelling, want hier wordt welgeteld één minuut getoond hoe een parel uit een oester wordt gehaald. Daarna worden we snel naar de verkoopruimte geloodst, niet echt wat we hadden gehoopt te zullen zien.

Phu Quoc is ook bekend om zijn peperplantages, maar daar is het zo mogelijk nog erger: de peperplanten werden ons aangewezen door de chauffeur. Uiteraard mag ook hier het obligate winkeltje niet ontbreken. Het bekendste product van Phu Quoc is de vissaus die in heel Vietnam wordt gebruikt voor talrijke gerechten. Maar na de teleurstellende bezoeken voordien skippen we de vissausfabriek. Conclusie op Phu Quoc: vooral ideaal om enkele dagen uit te rusten aan de prachtige stranden in een mooi resort.

Con Dao

Con Son is het hoofdeiland van de Con Dao-archipel aan de zuidoostkust. Het eiland is qua natuurpracht nog een pak indrukwekkender dan Phu Quoc en het Six Senses Resort waar we verblijven is een parel in de Zuid-Chinese Zee. We worden hartelijk begroet door Bas, de Nederlandse guest relations manager. “Xin Chao”, wat zoveel betekent als “Hallo”: we zullen het hier nog tientallen keren horen, want het talrijk aanwezige personeel lijkt het de hele dag te zeggen.

We genieten met volle teugen van de heerlijke Vietnamese en fusionkeuken in de verschillende restaurants. De Vietnamese keuken zou de meest lichte, eenvoudige en gezonde Aziatische keuken zijn en na mijn culinaire ervaring­en in Zuid-Vietnam ben ik geneigd dat te be­amen. Zowel in de luxueuze resorts als op straat is het eten lekker tot zeer lekker en licht verteerbaar. Enkel een mindere garnaal-ervaring op Sao Beach (Phu Quoc) zorgde voor enkele lastige dagen. Het betrof trouwens een typisch toeristenrestaurant waar onze chauffeur voor de dag ons dropte. Gouden regel: ga waar de Vietnamezen zelf eten. Jammer in sommige grote hotels is de afwezigheid van het traditionele Vietnamese ontbijt: de pittige noedelsoep met rundvlees (pho bo). Dit gerecht komt oorspronkelijk uit Hanoi, maar is ondertussen in heel Vietnam verkrijgbaar. ­ ‘s Ochtends zie je overal op straat de stomende ketels soep. Maar er zijn ook de gespecialiseerde restaurantjes, zoals Pho Hoa Pasteur, die het zelfs schopte tot een van de ‘1000 places to see before you die’, de bestseller van New York Times journaliste Patricia Schultz.

In Saigon aten we verschillende gerechten op straat voor anderhalve tot twee euro (40 000 – 60000 VND) per persoon. Streetfood is erg lekker en spotgoedkoop. De meeste kraampjes zijn gespecialiseerd in één bepaald type voedsel of zelfs één gerecht, maar het totaalaanbod is erg divers. Je neemt plaats op de lage rode en blauwe plastic krukjes aan lage tafeltjes en bestelt je portie banh khoai (knapperige pannenkoekjes van ei en rijstmeel), pho bo, cao lau (rijstmeelsoep), of een van de tientallen andere lekkernijen. Uiteraard drink je hier een plaatselijk biertje bij. Saigon (Ba Ba Ba in de volksmond, wat staat voor ‘3 3 3’) is zeer drinkbaar. Heb je geen zin in alcohol, bestel dan een koele green tea of een limoen-gemberdrankje.

Onze GRANDE reporters stellen volgend(e) hotel(s) voor in deze streek

Grande hotels