Krachtig Koksijde: Het verleidelijkste stukje kust

Garnalenvissers die op bonkige brabanders in de golven verdwijnen. Een knalrode, gigantische monnik die de resten van een vergane duinenabdij bewaakt. Rondspokende zwarte katten en zeemonsters in het Visserijmuseum. Ruw geborstelde duintoppen waartussen kommerloos cocoonen een zoete plicht is. Brede zalige zandstranden waar het jonge grut nog kind aan zee kan zijn. Fietsen, wandelen, smikkelen en smullen: in Koksijde-Oostduinkerke kan het allemaal.

In het futuristisch ogende gemeentehuis van Koksijde heb ik met gids Arnold afgesproken voor een erfgoedwandeling, maar eerst struinen we door de hightechconstructie van glas en staal waar welvaart en welzijn van de inwoners van Koksijde, Oostduinkerke, Sint-Idesbald en polderdorp Wulpen wordt geregeld. De heuse zilveren cockpit op vier flamingoachtige stelten is een fraai staaltje van creatieve architectuur. Het knipoogje naar de luchtmachtbasis en de succesvolle tv-reeks ‘Windkracht 10’ is duidelijk. Ik neem een kijkje in de ‘kokpit’ zelf, zo heet namelijk de multimediaal uitgeruste vergaderzaal waar de raadszittingen plaatshebben. Je zou even beginnen te twijfelen als je kriskras door het centrum loopt en opkijkt tegen een aantal karakterloze flatgebouwen, maar Koksijde heeft gelukkig toch ook nog heel wat waardevol architecturaal erfgoed van de immer dreigende sloophamer weten te redden.

Huizen kijken

We stappen naar de Senegalese wijk, waar vooral architect Lejeune zijn stempel op het bouwerfgoed gedrukt heeft. Arnold schetst eerst de geschiedenis van het kusttoerisme, dat vooral na de Eerste Wereldoorlog en het doortrekken van de kusttram in 1928 op de rails gezet werd. Heel wat hotels en schattige optrekjes voor de haute volée van die tijd – meestal ex-kolonialen en industriëlen – schoten als paddenstoelen uit het opstuivende duinzand. Namen als Mon Foyer, Poupette, Les Parnassias, Les Vagues Capricieuses, Les Mélilots, Les Muguettes en La Bleuette bewijzen dat de taal van Molière hier beter scoorde dan die van Vondel. De bouwstijl van die tijd, die in Engeland in de negentiende eeuw ontstond en via Normandië overwaaide, was de bekende cottagestijl die in de belle époque aan de kust erg in trek was.

We staan op het Bad Schallerbachplein in het hart van wat de oudere mensen nog het Quartier Sénégalais noemen en ondertussen beschermd dorpsgezicht is. De naam is afgeleid van de Senegalese ‘tirailleurs’ die in de Eerste Wereldoorlog in het Franse leger meevochten tegen de Duitsers. Ze werden samen opgesteld met de Zoeaven of de ‘Zouaou’, een volk dat uit Groot-Kabilië in Noord-Afrika afkomstig was en een elite-eenheid vormde. Tijdens de oorlog verbleven velen van hen in de verlaten villa’s in de wijk, en ook in tenten. Aan de hand van schetsen en foto’s laat Arnold zien hoe Lejeune en collega’s creatief omsprongen met allerlei technieken die in deze stijl gehanteerd werden.

Wij zien alleen de buitenkant, maar ook het decor, weet Arnold, is in vele huizen geraffineerd en getuigt van echt vakmanschap. Of er nog Senegalezen achtergebleven zijn, wil ik van Arnold weten. Dat blijkt niet zo te zijn. “Als het van mij afhing, zou de wijk Zoeavenwijk moeten heten als eerbetoon aan de vele Zoeaven die hun leven gaven voor onze vrijheid.” Niet minder dan 224 officieren en 7.427 soldaten sneuvelden in deze streek en enkelen van hen liggen begraven op het Franse militaire kerkhof in Koksijde-Dorp. Terwijl we door de kronkelige en hellende straatjes en paadjes lopen, vertelt Arnold zijn verhaal met gekruide anekdotes over het leven van de toenmalige bourgeoisie. De upstairs-downstairs -leefwereld wordt in de huizenbouw perfect gereveleerd. We pauzeren even bij ‘Le nouveau Bourgeois de Coxyde’ oftewel het Koksijdse Manneken Pis, waar Arnold ook weer een smeuïg verhaal over een preutse madame en ruziënde buren aan vastknoopt. Best spannend en boeiend, zo’n erfgoedwandeling waar je via architecturale weetjes en pittige verhalen een flink pak vaderlandse geschiedenis opgedist krijgt.

Garnalen vissen te paard

Een monument hebben ze al, op de dijk in Oostduinkerke, en terecht: de ‘peerdevisschers’ die met hun Brabantse koudbloeden de zee in gaan om noordzeegarnaaltjes in hun netten te strikken. Johan, Bernard, Dominique, Chris,… ze zijn nog met zijn achten, de laatsten der Mohikanen die dit oeroude gebruik in ere houden. Met Johan mogen we mee de kar op. Alleen al het zicht op die materiaalkarren, de paarden en de vissers in oliejekker en met een zuidwester op het hoofd is een spektakel op zich. “Tja, wat er na ons gebeurt, is een vraagteken”, grapt Johan, die door een pijnlijk been niet zelf meer de zee in gaat, maar de teugels (van zijn paard) nog goed in handen heeft.

Tot in de jaren 1950 was de garnalenvangst met paarden en touwen met sleepnetten nog dagelijkse kost in Oostduinkerke. Meestal, zo vertelt Johan, waren het de boeren uit het dorp die met de garnalenvangst hun karige inkomen een extra boost gaven. Nu is het vooral een toeristische topper die als uithangbord voor de gemeente wel kan tellen.

Paardenfluisteraar

Wanneer wordt dit UNESCO Werelderfgoed, vraag ik me voortdurend af, terwijl ik het paard in het oog houd. Als een opgefokte turbo snokt het dier aan de volgeladen kar en baggert het door het rulle zand alsof het een lading lucht vervoert. Johan is paardenman van roeping en beroep: hij koopt uitsluitend vierjarige hengsten aan en voedt ze geduldig op tot trek- en werkpaarden die ook geen schrik hebben om hun borst nat te maken. Dat is geen sinecure, zoals ik kan zien bij een paard dat vier jaar geen zee gezien heeft en vandaag van zijn koudwatervrees afgeholpen moet worden. Het paard wil niet, is angstig en wil naar huis, maar Johan spreekt ‘paardentaal’ en al vlug stelt hij het dier gerust. Even later zie ik paard en fluisteraar rustig door het water trappelen. Ondertussen zijn ze met zijn drieën de zee in gegaan en na een uurtje vissen doemen ze als de ruiters van de Apocalyps op uit de mist en de golven.

Het beeld stolt op mijn netvlies. Aangrijpend. Vanwege het gewicht in het sleepnet hebben ze dat op zee zelf al een eerste keer leeggemaakt en de vangst in de manden gekieperd die links en rechts op de flanken van het paard bevestigd zijn. Niet-garnaalachtigen zoals sprotjes, platvisjes en babytongetjes mogen herkansen in zee. Dit ritueel herhaalt zich bijna elke dag, behalve bij slechtweeromstandigheden.

Twee uur voor laagtij gaan ze de zee in en vissen ongeveer twee à drie uur. Normaal gesproken vissen ze in de zomermaanden juli en augustus niet omdat de ‘gernoars’ het ‘zeetje’ dan te warm vinden en elders met vakantie gaan. Toch spannen de vissers dan hun paarden in want de vakantiegangers willen dit unieke evenement zeker niet missen. Echt ongevaarlijk is dat vissen te paard niet volgens Chris en hij wijst meteen op het vertrouwen dat er moet zijn tussen visser en paard en – zoals bij de meeste risicovolle beroepen – op de solidariteit tussen de vissers zelf. Wie zich nog meer wil verdiepen in de geschiedenis van de kust- en zeevisserij, is het Nationaal Visserijmuseum (dat tegenwoordig de hippe naam Navigo draagt) trouwens een ware must.

De monniken van de duinen

Voor geestelijker leven trekken we naar het Abdijmuseum Ten Duinen. Al in 1138 stichtten monniken van de cisterciënzerorde van Cîteaux hier in de onherbergzame duinen een abdij, zetten de ascetische regel van Benedictus ‘ora et labora’ in de praktijk, polderden de duinen in en maakten van de abdij een spiritueel centrum dat tot over de grenzen bekendheid kreeg. Van die abdij zijn er enkel nog wat bakstenen resten overgebleven, want nadat ze in 1833 opgeheven werd, kreeg het opstuivende zand er weer vrij spel en verzandde het complex in ruïnetoestand.

In de jaren 1950 werd de site gedeeltelijk heropgebouwd en nu fungeert ze als een openluchtmuseum en is ze als beschermd monument erkend. Op het terrein, maar ook op andere plekken in de gemeente, staan flink uit de kluiten gewassen konijnen in schreeuwerige neonkleuren te mediteren over de zin van een en ander. ‘Duinen, monniken en konijnen’ moet plastisch plaatselijk kunstenaar William Sweetlove gedacht hebben: het heeft wel wat. In het knap gedesignde en moderne museum zelf kom je alles te weten over het leven van de duinheren zelf tijdens hun zevenhonderdjarige verblijf. Knappe, bijna levensechte poppen verduidelijken hun werk in het scriptorium, hun eetgewoonten, hun kleding, hun religieuze bezigheden en hun werk op het land. Voor een kennismaking met een flinke brok Europese geschiedenis is dit knappe museum, aangevuld met een collectie waardevol religieus zilverwerk, echt wel klasse.

Heerlijk wandelen

Voor een ontspannende frisseneuzenwandeling langs de vloedlijn, over het brede strand (van 50 tot 700 meter) of door de prachtige Schipgatduinen van Koksijde-Bad naar Oostduinkerke-Bad ben je hier aan een goed adres. Ben je met de kids onderweg, dan is een wandeling in het natuurgebied De Doornpanne een aanrader.

Natuurgids Rika wacht ons op in het bezoekerscentrum, waar we op een ludieke manier kennismaken met de fauna en flora en vooral met de waterwinning en -zuivering in de duinen. We stappen even over een oud karrenpad dat dwars door het beschermd gebied loopt en waarover eertijds de vissers met paarden en karren naar zee dokkerden. Dan duiken we het natuurgebied zelf in. Meteen staan we oog in oog met een paar ezels die uit het struweel (de stekelige struikbosjes) komen gepiept. Die moeten het grasland kort houden, vertelt Rika, en ze leven enkel van wat er hier groeit. Dat doet ook een twintigtal shetlandpony’s in een ander gedeelte van het beschermd gebied, waar je alleen maar met een gids kunt wandelen.

Na wat zoeken krijgen we de nieuwsgierige pony’s niet alleen te zien, maar laten ze zich zelfs zonder terughoudendheid aaien. Terwijl we door dit prachtige duinenlandschap wandelen, krijgen we allerlei wetenswaardigheden te horen over verruiging, vervilting, verlanding, verzanding en maaibeheer in de begrazingszones. Om de bodem te ‘verarmen’ wordt het maaisel afgevoerd zodat er meer diversiteit ontstaat onder planten en dieren. We passeren een paar uitgegraven vijvers waar de waterwinningsmaatschappij Veurne-Ambacht, die het domein beheert, het water oppompt en zuivert. Als ik Rika bezig hoor, stel ik weer maar eens vast dat ik nauwelijks iets weet over Moeder Natuur. Zij daarentegen wel en zo leer ik boeiende dingen over mosjes en plantjes zoals duinreigersblad, winterannuelen, de alcoholrijke en vitaminerijke bes van de vrouwelijke duindoorn, het gele zonneroosje, walstro, nachtsilene, driedistel, walstrobremraap… De natuur op haar best!

Onze GRANDE reporters stellen volgend(e) hotel(s) voor in deze streek

Grande hotels

GRANDE reporter Gert Van Wichelen
bezocht dit hotel en schreef:
"
In ‘Nieuw Brugge’ niet ver van het station vind je Radisson Blu Hotel Brugge. Het hotel ligt op slechts een korte loopafstand van het pittoreske stadscentrum van Brugge. Het is een prachtige moderne uitvalsbasis om de stad te bezoeken.
..."
"

Een juweeltje van een hotel, gehuisvest in een zeventiende-eeuws herenhuis langs de schilderachtige reien in hartje Brugge.

..."
"

Verblijf in het vijf-sterren hotel van Brugge en ervaar een weekend vol luxe en cultuur! Iedere kamer en suite weerspiegelt de historische schoonheid van dit 15e eeuwse paleis, de voormalige residentie van de Hertogen van Bourgondië.

..."
"

'Pluk de dag' is inderdaad hét motto in dit authentieke, rustgevende landhuis in de duinen. Je wilt immers zo lang mogelijk genieten van de bijzonder knusse familiesfeer. Die is er al in de gang, waar je ontvangen wordt.

..."
"

Aan de straatkant zeven ruime en warm gedecoreerde kamers met lateraal zeezicht, achteraan vier kamers. Overnachten in het hotel is een zalige en veilige afsluiter na een weelderige maaltijd in het restaurant.

..."