Duik in het magisch Marrakesh en de adembenemende Atlas

Als hoofdstad van weleer leende Marrakesh haar naam aan Marokko, maar met jaarlijks twee miljoen toeristen moet er wel iets te beleven zijn. Een verkenning van de overweldigende Rode Stad en het nabije Atlasgebergte.

De grenzen van de stad Marrakesh zijn moeilijk vast te leggen. Want er is de oude stad, de medina genoemd, er is de ‘ville nouvelle’ (met de wijken Guézil en Hivernage) en er is La Palmeraie, een gebied aan de rand van Marrakesh waar paradijselijke vakantieresorts en zonovergoten golfterreinen voor een oase van rust zorgen. La Palmeraie is een prima uitvalsbasis voor de magische sfeer die de medina oproept, te leren kennen. Tegelijk wil ik ontdekken wat de berberdorpen in het Atlasgebergte te bieden hebben.

Schilderachtig Jardin Majorelle

Een eeuwenoude stad als Marrakesh hoor je langzaam binnen te dringen. Bijvoorbeeld door te beginnen met een bezoek aan de Jardin Majorelle. In 1924 kocht de Fransman Jacques Majorelle een terrein net buiten de medina van Marrakesh. Jacques was de zoon van Louis Majorelle, een befaamde meubelmaker uit Nancy. Zoonlief was schilder en een grote fan van het licht in Marrakesh, waar hij in 1919 een onderkomen had gevonden. De schilder liet een prachtige tuin aanleggen en stelde die vanaf 1947 open voor het publiek. Jacques Majorelle stierf in 1962, de tuin en het opvallende atelier (in art-decostijl) kwamen later in het bezit van de Franse modeontwerper Yves Saint Laurent en diens partner, veilingmeester Pierre Bergé. De tuin werd inmiddels ondergebracht bij de Fondation Pierre Bergé-Yves Saint Laurent en is een lust voor het oog. Het oude, in verpletterend blauw en geel uitgedoste atelier kreeg in 2011 een nieuwe bestemming. Sindsdien huist hier een museum gewijd aan de cultuur van de Berbers, het volk dat al duizenden jaren in het Rif- en Atlasgebergte woont en nog steeds een derde van de Marokkaanse bevolking uitmaakt. Het Musée Berbère bezit ongeveer zeshonderd objecten, onder meer kledij, vlechtwerk, juwelen, wapens en tapijten.

Koutoubia en Saadi

Marrakesh werd gesticht in 1062 en al in de twaalfde eeuw werd een moskee gebouwd, waarvan de 77 meter hoge minaret de medina van Marrakesh domineert: de Koutoubia. Deze ‘moskee van de bibliothecarissen’ is een schoolvoorbeeld van de Marokkaanse moskee-architectuur en imponeert door haar minzame statigheid en uitgepuurde esthetiek. 

De Koutoubia zelf bezoek ik niet, wel de nabijgelegen graftombes van de Saadidynastie. De Saadi heersten in de zestiende en zeventiende eeuw over Marrakesh en grote delen van wat nu Marokko is. Ze waren aan de macht tot 1659. De bekendste van de Saadische sultans, Ahmed el Mansour (1578-1603), liet de wereld een mooi complex na van wel 66 graftombes, een kleine dodenstad in het midden van Marrakesh! Diezelfde Ahmed el Mansour liet trouwens het El Badi-paleis in Marrakesh bouwen; goede smaak was de man duidelijk niet vreemd. Het marmer van dat El Badi-paleis werd later helaas gebruikt om andere paleizen mee te versieren. Maar terug naar de graven van de Saadi. De graven werden na het einde van de heerschappij van de Saadi overdekt en pas in 1917 werden ze herontdekt. Het complex heeft een mooie toegangspoort, de Bab Agnaou, en de toegangsprijs (ongeveer één euro) is zeer democratisch te noemen. De graven zijn verdeeld over diverse gebouwen en van op een binnenplein zie je in de hoogte... een terras. Dat blijkt te behoren tot La Sultana, een luxehotel dat me vriendelijk toestemming geeft om een paar foto’s te maken van op dat terras. Daar zie je meteen waarom Marrakesh de ‘Rode Stad’ genoemd wordt: bijna elk gebouw in de stad kreeg een zongedroogde rode bepleistering.

De oude medina en doolhofsoeks

En dan wordt het tijd om het Jemaâ el Fnaplein en de soeks van de medina te ontdekken. Het Jemaâ el Fnaplein is opgenomen in de Unescolijst van immaterieel erfgoed en naarmate de dag opschuift, wordt steeds duidelijker waarom. ’s Ochtends is dit een gewoon, doch erg groot plein met enkele kramen. Later dringt het tot me door dat dit slechts de voorbode is van een nauwelijks te vatten poeha. ’s Avonds is de drukte namelijk niet te overzien, met kramen, muzikanten en slangenbezweerders, hennatattoeëersters, verkopers van prullaria, autochtonen en toeristen van alle slag. Maar voor het zover is, eet ik bij wijze van late lunch een broodje kip in het Café des Epices, aan de ingang van de drukbezochte soek Cherifia. Het wordt steeds warmer buiten, watersprinklers zorgen voor een aangename temperatuur tijdens mijn lunch. Het café heeft een terras zoals er vele zijn in de medina: een trap brengt je tot op een terras met uitzicht over de oude stad. Die terrassen zijn - niet onlogisch - erg populair bij toeristen.

En dan duik ik de soeks in om enige tijd later buiten te komen met een gemengd gevoel. De sfeer in de soeks is aanstekelijk nonchalant. Je ziet voortdurend mooie spullen en als je je gewoon met de stroom mee laat voeren, kom je op enkele wonderbaarlijke plekken. Een achterafstraatje waar stoffen met de hand worden geverfd, bijvoorbeeld. Vraag me niet waar dat precies is, die soeks vormen een doolhof waarvan de structuur, als die er al is, nauwelijks te vatten is bij een eerste bezoek. Dat je voortdurend wordt aangesproken en hoort dat alles gratis is (tot je iets wilt kopen), is er soms wat over. Maar dat is zeker geen reden om de soeks links te laten liggen. Her en der vind je nog oude binnenplaatsen, herbergen voor de handelslui voor wie Marrakesh een belangrijk kruispunt was. De meeste van die herbergen of ‘fondouks’ zijn gerestaureerd en de overheid tracht hier zo veel mogelijk ruimte te geven aan ambachtslui en kunstenaars, al zijn de bovenste verdiepingen vaak nog gewoon bewoond.

Ook aapjes moeten eten

Ondertussen is het Jemaâ el Fnaplein stilaan aan het vollopen. Een verse sinaasappel? Op de foto met twee aapjes? Een rondrit door de oude stad in een koets? Het kan allemaal. Een snuifje magie is nooit ver weg. Houd wel je dirhams bij de hand: aapjes moeten ook eten, je wordt verondersteld de eigenaar wat geld te geven. Dat mag niet verbazen. Met drie miljoen bezoekers per jaar - per dag is dat gemiddeld meer dan 8.000 - haalt de lokale handel alles uit de kast om de aandacht van die bezoekers te trekken en een centje bij te verdienen. Ik werp een laatste blik op de minaret van de bibliothecarissen en sluit de dag af in Le Salama, waar je bij het aperitief wordt getrakteerd op een portie buikdansen.

Joodse kerkhoven en muildieren

Het verkeer in Marrakesh is een gekrioel van jewelste, met massaal veel auto’s, gele stadstaxi’s, ‘grand taxis’ (voor het transport naar en van dorpen en stadjes in de omgeving) en kriskras rijdende snor- en motorfietsen. Buiten de stad gaat het er veel kalmer aan toe, zo blijkt tijdens onze autorit naar Park Tighdouine. Onderweg wordt even halt gehouden. Hier leefde tot voor enkele decennia een joodse gemeenschap. Hoezo? “Drieduizend jaar geleden trokken de joden vanuit Egypte naar hier”, vertelt gids Mohamed. “Ze leefden hier vreedzaam naast de Berbers en later de Arabieren. Eind vijftiende eeuw verhuisden er ook joden vanuit Andalusië naar Marokko. Na de Tweede Wereldoorlog trokken de meeste Marokkaanse joden naar Israël, al wonen er nog steeds enkele duizenden in Marokko, vooral in de steden. De joodse kerkhoven hier krijgen nog steeds bezoek van nazaten van joden die hier begraven liggen.”

In het centrum van Tighdouine wacht me een groepstocht op muildieren. Vele dorpelingen in het Atlasgebergte leven vooral van wat de landbouw in de vruchtbare valleien opbrengt. In het Atlasgebergte valt er regen en sneeuw en het water vloeit vervolgens door de valleien. Breed is die vruchtbare strook zelden, een uitbreiding van de landbouwactiviteiten zit er helaas niet in. Ik maak kennis met Brahim, die deze muildierentochten organiseert in combinatie met een lunch in het berberdorp Talatast. Brahim en zijn kompanen leiden de muildieren over een kalme plattelandsweg tot in Talatast. Daar zien we, net voor lunchtijd, een pottenbakker versgebakken aardewerk opbergen. In deze periode van het jaar is er niet veel werk op de velden en dan is het tijd voor nevenactiviteiten, verneem ik. Het aardewerk uit Talatast wordt verkocht in het dorp zelf en op markten in de buurt.

Kaneel en munt

Vervolgens zet Brahim ons een uitgebreide lunch voor, met onder meer een geweldige couscous met kip en kaneel. Maar niet nadat we eerst een Marokkaanse muntthee hebben gedronken. We krijgen het hele ritueel te zien, al zou dat niet helemaal volgens de traditie zijn. Bij het aloude ritueel is er slechts één getuige, wordt verteld. Die ene getuige kijkt toe of het ritueel goed is verlopen en hij mag beslissen of de thee mag worden voorgeschoteld aan het hele gezelschap.

Na de lunch trekt de muildierenkaravaan terug naar Tighdouine. Als de karavaan een riviertje oversteekt, blijkt dat het water van de rivier niet enkel wordt gebruikt voor de irrigatie van de velden. Aan de rand van Tighdouine koelen de bezitters van een motorfiets hun banden af met water van de rivier. Iets verderop staat een vrachtwagen in het water, wellicht ook om af te koelen. Aan enige afkoeling ben ik zelf ook toe en veel meer dan zwemmen in het zwembad van het hotel en een diner in de wijk Guézil zit er vandaag niet meer in.

Tokkelbanen en arganolie

Met frisse moed trekken we ’s anderendaags weer het Atlasgebergte in. Op een hoogte van 1200 meter ligt Les Terres d’Amanar, een domein dat sportactiviteiten combineert met verblijfsaccommodatie voor wie eens iets anders wil. Hier zijn er ecolodges en bivakplaatsen, maar ook restaurants, zwembaden en een uitgebreide sportieve infrastructuur. Dé attractie zijn de ‘tyroliennes’ of tokkelbanen. Om op te warmen loop je over een touwladder die een kleine vallei overspant. Voor die loopbrug deed men inspiratie op bij de loopbrug die werd gebruikt in de filmklassieker The Man That Would Be King, met Sean Connery. Die film werd trouwens deels in Marrakesh opgenomen! Vervolgens zijn er de tokkelbanen, telkens goed voor een gevoel van euforie voor de ene, voor een vreemd gevoel in de buik voor de andere. Wie zich hier niet aan waagt, kan terecht op een mountainbike of in het Accro Parc met hoogteparcours.

Na de lunch vatten we de terugweg aan. Onderweg houden we twee keer halt. Op weg naar Les Terres d’Amanar waren de borden me al opgevallen: ‘Visitez nous. Huile d’argan’. Arganolie wordt gebruikt in verzorgingsproducten én in de keuken: in salades en in een notenpasta (“de Nutella van de Berbers”, grapt iemand, zelf een Berber). Het telen van die noten gebeurt niet hier. Wel zijn in deze streek enkele coöperaties actief voor de verwerking van de argannoten. In coöperatiewinkeltjes tonen vrouwen hoe de argannoten worden gepeld, gesorteerd en gemalen. Alles wordt gebruikt, ook het zogezegde afval als brandstof of als grondbedekker.

Arganolie is niet echt goedkoop, maar daar is een reden voor. Tien arganbomen zorgen voor ongeveer één liter olie en na de aanplanting van een arganboom duurt het meerdere jaren voor de eerste noten kunnen worden geoogst. Bij het verlaten van de winkel bots ik bijna op een oude man die voor zich uit staart. Hij mompelt. “Last van de warmte”, legt een dorpsbewoner uit. De oude man geraakt niet meer op eigen kracht naar huis. Hij zou bovendien 126 jaar zijn. Waar of niet? De jongere man neemt de arm van zijn dorpsgenoot goed vast en leidt hem dieper het dorp in.

Bioaroma’s in de Ourikavallei

Nog dichter bij Marrakesh ligt de laatste etappe van mijn verblijf: de Jardin Bio-Aromatique d’Ourika, waar Nectarome huist. Op een hoogte van 840 meter en 35 kilometer ten zuidwesten van Marrakesh werken twaalf mensen in de mooi aangelegde tuinen en nog eens vijftig in het atelier. Bezoekers komen naar hier om de biologische tuin in de vallei van de Ourika te bezoeken, om een aromatisch voetbad te nemen of om producten te kopen in het winkeltje: massageolie, badolie, shampoo, gearomatiseerde zepen of honing. Nectarome doet ook aan ‘groen toerisme’ en organiseert geregeld ateliers en stages met de mogelijkheid tot picknick ter plaatse. Een leuke afsluiter.

Onze GRANDE reporters stellen volgend(e) hotel(s) voor in deze streek

Grande hotels