Dia de Muertos in Mexico: de nacht van de levende doden

Wij maakten een bizarre maar onvergetelijke reis langs de Camino de la Muerte, van Mexico City naar het magische hoogland van Michoacàn. Eenmaal per jaar keren de doden in Mexico terug naar de aarde.

31 oktober in Huecorio, aan het meer Pàtzcuaro, op de hoogvlakte ten noorden van Mexico City. Uit een witgekalkt huis schiet een lichtstraal omhoog; de dreunende beats doen de lemen muren bijna wankelen. Francisco Dominguez heeft een paar jaar geleden zijn dochtertje van anderhalf verloren en geeft vanavond een feest voor heel het dorp. Hij respecteert de tradities, de unieke mengeling van katholieke en indiaanse gebruiken die nergens intacter voortleeft dan bij de Purhépecha-indianen. In de namiddag is er vuurwerk afgeschoten voor zijn dochtertje; vanavond zijn de dorpelingen bij hem thuis te gast. Ze wandelen de patio binnen door een boog van heloranje afrikaantjes en plaatsen hun offergave op het reusachtige altaar, dat wel een schaalmodel lijkt van de piramides die hun voorouders langs het meer bouwden. De gasten krijgen pozole en atole, een soep en een drankje naar een precolumbiaans recept. Op het altaar geraakt de foto van het meisje ingesloten door kaarsen, bloemen, sinaasappels, speelgoed en borduurwerkjes. Kinderen die ooit met haar speelden, staan te huppelen en te molenwieken op de dansvloer: het bizarste requiem dat we ooit zagen.

Requiem voor een engeltje

Francisco verwarmt zich buiten bij het haardvuur. Het meer dampt, de sterren glinsteren als ijskristallen. Hij heeft geluk gehad: zijn dochtertje is gestorven na haar doopsel, nog voor ze het onderscheid tussen goed en kwaad kende. Heel Mexico herdenkt op 31 oktober zijn angelitos, kinderen die zo puur en onschuldig als engeltjes stierven. Tijdens de nacht van 1 op 2 november keren de doden terug naar de aarde. Wie zijn gestorven familieleden geen feestmaal aanbiedt op het kerkhof, riskeert zich hun woede op de hals te halen. De Noche de Muertos valt samen met het katholieke Allerzielen, maar houdt inheemse, eeuwenoude rituelen in stand. Nergens leven ze sterker voort dan in het afgelegen hoogland van Michoacàn, omdat de Purhépecha zich vreedzaam tot het christendom konden bekeren en hun cultuur in stand hielden.

Mexico City moet ongeveer dezelfde aanblik hebben geboden als het meer van Pàtzcuaro toen Cortès de stad voor het eerst zag in 1521. De tempels en piramides van de Azteekse hoofdstad Tenochtitlàn rezen op uit een meer tussen de bergketens. Via kaarsrechte dijken konden de 300.000 inwoners de oevers bereiken. Vandaag liggen het meer en de Azteekse stad begraven onder een snel groeiende megapolis met 23 miljoen inwoners. Maar het immense Zocaloplein is nog steeds de navel van Mexico. De hoofdtempel van Tenochtitlàn is er pas een halve eeuw geleden opgegraven; de kathedraal zinkt steeds dieper weg in de drassige bodem. In de op- en neerdeinende straten leunen scheve koloniale gebouwen tegen elkaar.

Dodenbrood en suikerschedels

Wanneer we de laatste week van oktober in Mexico City aankomen, is de stad al in de ban van het Dodenfeest. Magere Hein vrolijkt de etalages op in de deftige winkelstraten rond de Zocalo. Hij prijst hippe sneakers aan of heeft bonte surfersshorts om de knokige heupen en loert naar de ieder jaar talrijker wordende Halloweenpompoenen. Natalia Rosca stoort zich aan de veramerikanisering. “De Dia de Muertos dreigt het feest van de ouderen te worden,” zucht ze. Natalia werkt bij Pastelaria Ideal, het ultieme taartenparadijs. Het Dodenfeest doet er de verkoop pieken, zoals in elke luxepatisserie. Als eersteklas belhamels hebben de banketbakkers zich uitgeleefd met het lugubere thema: doodskisten van gebak, schedels van fluogroene flanpudding en geraamtes van slagroom. De winkelrekken puilen uit met doodskopjes van suiker of chocolade. In al die uitbundigheid valt het traditionele pan de muerto, een rond suikerbrood, nauwelijks op. “Het pan de muerto is een onmisbaar onderdeel van de offerande op het graf van de dode,” legt Natalia uit. “De calaveritas, de schedeltjes, zijn maar ornamenten. Je kunt er zelfs eentje schenken met je naam op. Wij, Mexicanen, zijn dol op galgenhumor. We leven met de dood en lachen erom.”

Van het bijensteegje naar de heksenmarkt

Is Mexico City een reusachtige knekelhuis, een massale danse macabre op een hitsig latinoritme? In het karikaturenmuseum blijken de mariachi’s die we de avond voordien nog ay-ay-ay-ay hoorden jammeren op de Plaza Garibaldi, geraamtes geworden. De populairste Mexicaanse cartoon draait rond Calavera Catrina, een skelet opgetut als burgerdame. We zien haar Diego Rivera bij het handje houden op zijn beroemde muurschildering ‘Zondagnamiddagdroom in het park’. Rivera en zijn echtgenote Frida Kahlo worden bijna elk jaar herdacht met een dodenaltaar in het Casa Azul, hun woonhuis dat nu als museum fungeert.

Als een door de wol geverfde gids leert Magere Hein ons de stad met andere ogen te bekijken. Hij leidt ons naar La Merced, zowat de grootste markt van het land. Hoog opgetaste maïskolven, duizend-en-een soorten pepers, zuilen van samengebonden bladeren van de nopalcactus. Het gezoem van duizenden bijen kondigt het suikersteegje aan. Wie zich de banketbakker niet kan veroorloven, koopt hier snoepgoed voor de Dag der Doden. Doodskopjes, mummies, kisten of grafzerken. Boven de kraampjes bungelen spinnen, griezelpoppen van papier mâché en een geraamte dat tequila drinkt. Een loopbrug verbindt La Merced met de heksenmarkt van Sonora. Hier hebben heiligenbeelden doodskoppen gekregen. Wie la Santa Muerte gunstig wil stemmen met een offer, koopt de benodigdheden op deze markt. Wierook, eieren, een levende kip, een plastic schedel, een gedroogde hagedis. Geloof en bijgeloof gaan in Mexico hand in hand. 

Op honderd meter van de stadskathedraal staat een afzichtelijk keramieken beeld van Mictlantecuhtli, de Azteekse god van de doden. Hij heerste over de onderwereld, vrat de handen en voeten van de verdoemden, maar schiep ook nieuw leven. Het museum van de Templo Mayor toont je de Azteekse visie op de kringloop van leven en dood aan de hand van een prachtige collectie. Er is ook de tempel zelf: eigenlijk zeven tempels die in elkaar passen als Russische matroesjka’s.

Standbeelden uit het hiernamaals

“Ik zag het licht opnieuw in 1865”, zegt het opschrift bij de onthutsend goed bewaarde mummie van Remigo Leroy. De Franse arts draagt dezelfde overjas, hemd, broek en schoenen als bij zijn dood. De oudste mummie uit de collectie verwelkomt de bezoekers in het Museo de las Momias in Guanajuato. We hebben Mexico City in noordelijke richting verlaten en hebben onderweg nog een halve dag doorgebracht in Teothuacàn. Zoals iedereen bezochten we de reusachtige Piramide van de Zon en raakten de punt van de piramide aan, naar verluidt een bron van kosmische energie. De Azteken kwamen op pelgrimstocht naar Teotihuacàn, dat toen al eeuwen verlaten was. Ze noemden het de stad waar mensen goden werden en geloofden dat onder de piramides koningen begraven lagen. Ten onrechte. De Calzada de los Muertos, de centrale stadsboulevard, heeft niets met de dood te maken.

Ook Guanajuato blaakt van de levenslust. Barokke kerkjes, koloniale huizen, kleurrijke steegjes, schaduwrijke plaza’s, studenten in een zwarte cape die serenades zingen of op straat scènes uit ‘Don Quijote’ opvoeren. Geen grote hotels, verkeerslichten of tourbussen: het stadsbestuur koestert het historisch centrum als een juweel in een kistje. In het pas vernieuwde museum staan de mummies trots rechtop, als standbeelden uit het hiernamaals. We maken kennis met de rijke landeigenaar Don Justo en een Chinese dienstmeid in een oosterse jurk. Een vrouw stierf in het kraambed, een man werd neergestoken. Grotesk en wansmakelijk? Misschien. Maar geen museum geeft je een beter beeld van de Mexicaanse fascinatie voor de dood.

Fladderende zielen

We zien het meer van Pàtzcuaro al in de diepte liggen als ontelbare monarchvlinders de snelweg oversteken. Met 150 miljoen komen ze uit Canada om te overwinteren in de naaldwouden van Michoacàn en vooral in het beschermde Santuario de las Mariposas El Rosario. Hun heloranje vleugels ritselen even voor ze stukbreken op de voorruit van de wagen. De Purhépecha geloven dat de vlinders fladderende zielen zijn, die terugkeren naar de aarde. In het anders zo stille Pàtzcuaro verbazen de oude indiaanse vrouwtjes zich over de drukte. Onder de arcaden op de plaza staan tafels vol suikerschedels. Kinderen met een plastic schedeltje om hun hals bedelen om muntstukken. “Una monedita por mi calaverita, por favor”, de Mexicaanse trick or treat. Het marktplein bij de basiliek bulkt van de begrafeniskransen en oranje bloemen- cempoalxochitl in mystiek Mexicaans, afrikaantjes in het Nederlands. Als lava stromen ze uit de laadruimte van een truck.

Dineren met de doden

De dag na het feest voor Francisco’s engeltje maken we een rondrit langs het meer. Overal sjouwen mensen immense bossen afrikaantjes op het kerkhof. In Tzintzuntzàn kleuren de graven langzaam oranje. Vier broers en vier zussen richten een overvloedig banket aan voor hun overleden ouders en zus. “Er staat meer eten op het graf dan we ons tijdens het jaar kunnen veroorloven”, lacht de jongste zus terwijl ze me een appel uit de fruitmand van de dode schenkt.

Omdat haar vader graag koffie dronk, staat er een volle kan op zijn graf. Moeder mag straks smullen van de mole poblano, of kip in chocoladesaus. De doden worden in de watten gelegd. De nabestaanden bewijzen hun toewijding met weelderige grafversieringen. Een overleden wielrenner wordt herdacht met een fiets van bloemen. Een andere familie bouwt een kathedraal op een graf. Bloemen, suikerschedels, pan de muerto, sinaasappels, ontelbare kaarsen, wierook en de al even geurige kopalhars. Mariachi’s brengen een dode een serenade. Elk dodenoffer versmelt christelijke tradities met oeroude inheemse rituelen. Boven het kerkhof rijzen de ruïnes van de piramides en tempels van de Tarasco’s op, de voorouders van de Purhépecha.

Nachtwake op het kerkhof

Op 1 november varen in Pàtzcuaro tientallen boten uit naar het eiland Janitzio, dat bekendstaat om zijn authentiek inheemse dodenfeest. Waar zijn de traditionele vissersboten met hun befaamde vlindernetten, die met lampjes naar het eiland varen om het feest te openen? Het eiland blijkt een luidruchtige bazaar. Mexicaanse toeristen zitten te schransen in tientallen eetkraampjes of kopen kitscherige souvenirs. Maar de eerste indruk bedriegt. Binnen in de huizen staan er overdadige dodenaltaren. De dorpsjeugd zou vanavond overal moeten hebben aangeklopt voor een bijdrage aan de collectieve offerande. Weigert iemand, dan mogen ze binnenglippen om kippen, fruit of bloemen te stelen. Langs de steile straatjes ligt het kerkhof. De graven zijn niet meer dan hopen zand, zonder kruis of zerk. Oude vrouwtjes scharrelen rond in de duisternis. Rond middernacht lichten de eerste kaarsen op en worden de versierde graven zichtbaar. De vrouwtjes hurken zwijgzaam neer, terwijl dronkemansgebral de misviering in de kapel overstemt. In de loop van de nacht zal de stemming evolueren van uitgelaten naar ingetogen.

Bij zonsondergang zijn we terug op het kerkhof van Tzintzuntzàn. Bij de kapel klinkt het engelengezang van een meisjeskoor. Ook hier hebben de kerkhofgangers de hele nacht gezongen, gelachen en moppen verteld bij kaarslicht. Nu hebben ze zich in dekens gewikkeld om de ijzige kou te trotseren. Hun dampende adem voegt zich bij de rook van de kaarsen. Een vrouw zit te snikken bij het graf van haar man. Zelfs de gezelligste Dodennacht kan haar onpeilbare verdriet niet temperen. Een bejaard echtpaar heeft de hele nacht gewaakt bij het graf van ’s mans ouders. Sinds 1966 komen ze elk jaar. Al die nachten op het kerkhof hebben de man niet somber gestemd. “Elk jaar ben ik blij dat ik leef”, zegt hij terwijl hij ons een donut aanbiedt. “Ik geniet van elke dag die me nog rest. Leve de doden die ons het leven schonken!”

Onze GRANDE reporters stellen volgend(e) hotel(s) voor in deze streek

Grande hotels