De bollen van de Boeddha

De smalle lichtbundel van de kleine zaklantaarn zorgt nauwelijks voor licht. Hier en daar hoor ik stemmen, maar ik zie bijna niets. Pas in de oranje gloed van de opkomende zon tekenen de contouren zich af: ik sta op een reuzenplateau tussen de grote stoepa’s van een magische en mythische tempel, de Borobudur.

Vroeg opstaan, bapak

‘Noem me maar Cipto of Chips,’ lacht Sucipto Wikodo, ‘zo geraakt je tong niet in de knoop.’ De Javaan Cipto is een van de weinige Nederlandstalige gidsen die je in Yogyakarta, een rumoerige universiteitsstad in Centraal-Java, kunt vinden. ‘Wie hier als gids andere talen dan het Engels spreekt, kan veel meer verdienen,’ zegt Cipto beminnelijk. ‘Ook al vond mijn vader het maar niets. Eerst heb ik Japans gestudeerd, later Nederlands. Niet eenvoudig trouwens. Jij spreekt de moeilijkste taal ter wereld.' Cipto komt mij persoonlijk ophalen op de kleine luchthaven van deze miljoenenstad en brengt me door een heksenketel van verkeer naar mijn hotel. Een klein uurtje later is van al die nervositeit, verkeersdrukte en toeterende scooters nog weinig te merken wanneer vier tienermeisjes in kebaya en kain (de traditionele hemd-en-lange-rok-combinatie) me rozenblaadjes toewerpen. In een donker maar akoestisch perfect hoekje speelt een rustige ziel stilletjes op zijn gamelan. Van op een handgeslagen zilveren plateau wordt me een ijsgekoeld en met munt geparfumeerd handdoekje aangereikt. Allemaal bij wijze van welkomstgroet. Zen. Zen. Zen. Als buiten de zon tussen de rijstvelden zakt en de staf ontelbare kaarsen aansteekt, installeer ik mij met een gingerbier en een cigarillo op het panoramische terras. Cipto komt met minder goed nieuws. ‘Morgenochtend vertrekken we stipt om halfvijf, bapak (Indonesisch voor meneer). Nog een mooie avond verder.’

Naar het Nirwana

De fleece die ik slaapdronken nog mee griste, blijkt compleet overbodig als we iets voor vijf in de ochtend - onder de luide oproep voor het eerste gebed in het naburige dorp - de grasheuvel naar de Borobudur oplopen. In het droge seizoen zakt de temperatuur blijkbaar zelden onder de twintig graden. In de smalle lichtbundel van de kleine zaklantaarn, een geschenkje dat je bij de aankoop van je toegangsticket overhandigd krijgt, zie ik alleen waar ik moet stappen, niet wat er zich rond mij bevindt. Er is amper maanlicht en een lichte nevel kleeft als een melklaag tegen de vallei. Hier en daar hoor ik stemmen, fluisterend, maar ik slaag er niet in om een overzicht te krijgen. Pas wanneer een uur later de oranje gloed van de opkomende zon razendsnel de schemer wegjaagt, tekenen de eerste contouren zich af. Ik sta hoog op een reuzenplateau tussen grote stoepa’s, oog in oog met een actieve vulkaan. Dit is de Merapi, alias de Vuurberg. ‘We hebben daarstraks de kortste weg naar de hemel, het Nirwana, genomen,’ lacht Cipto. ‘Enkel en alleen omdat je van hieruit het mooiste uitzicht hebt. Eigenlijk moet je terras per terras lopen en zo langzaam opklimmen.’

Tempel op de berg

‘De Borobudur werd gebouwd tussen 750 en 850 na Christus. De naam stamt mogelijk van het Sanskriet ‘Vihara Buddha Ur’ , vrij vertaald de boeddhistische tempel op de berg', zegt Cipto in zijn onnavolgbare liederlijke Nederlands. De Borobudur is opgebouwd als één grote stoepa. De basis is 123 bij 123 meter, en er zijn negen etages: de onderste zes zijn vierkant, de bovenste drie rond. De etages vertegenwoordigen de boeddhistische kosmos. Op de bovenste etages bevinden zich 72 kleine stoepa’s, die gebouwd zijn rond één grote centrale stoepa. ‘Die grote staat symbool voor het Nirwana, de kleine vertegenwoordigen van onderen naar boven de weg die een boeddhist moet afleggen om uiteindelijk in dat Nirwana - ‘de volmaaktheid’ - te worden opgenomen. De open gaten in de onderste stoepa’s staan op hun punt: dat duidt erop dat de weg nog onzeker is. In de bovenste stoepa’s is dat vlak, horizontaal. Met andere woorden: de weg is duidelijk, het geloof stevig. Daarom sprak ik je daarstraks van het zeer ongewone ritueel om meteen naar boven door te klimmen. Dat mag, wij zijn bezoekers. Maar ’s ochtends dient de Borobudur in de eerste plaats als een gebedsoord. Een pelgrim loopt iedere etage zevenmaal rond met de klok mee. Let maar op straks.’

Door een vulkaanuitbarsting kwam de tempel onder het puin te liggen, en geholpen door de natuur bleef de Borobudur eeuwenlang verborgen. De site is (her)ontdekt in 1814 ten tijde van het Engelse Tussenbewind in Nederlands-Indië, door toedoen van Sir Thomas Raffles. Tien jaar later was het monument uitgegraven. De bouwkundige toestand van het complex bleek echter onbevredigend, en in 1882 werd voorgesteld om de Borobudur af te breken en de reliëfs in musea te bewaren. ‘Gelukkig ging dat plan niet door,’ zegt Cipto.

De koning van Siam

Wanneer we in de vroege voormiddag de site langzaam terug afdalen, met een stevig ontbijt in het vooruitzicht, valt vooral de solide structuur van het complex op. ‘De bouw van de tempel, vermoedelijk ter ere van de vorsten uit de boeddhistische Sailendra-dynastie, was alleen al qua fysieke mankracht een enorme prestatie,’ legt Cipto uit. ‘In de tempel is niet minder dan zestigduizend kubieke meter steen verwerkt. De realisatie zou minstens tachtig jaar hebben geduurd en de kosten moeten overweldigend zijn geweest. Ken je het Birmaanse gezegde “de grote pagode is voltooid, het land is geruïneerd"? Allicht was het ook op de Borobudur van toepassing.’

Ondertussen drinkt Cipto voorzichtig van zijn thee, die naar Javaanse gewoonte sterk, zoet en heet is. Drie obers serveren ons synchroon de eitjes met tomaat, kaas en toast. Terwijl we met veel smaak het ontbijt verorberen, is Cipto niet te stoppen. ‘Je moet mij verontschuldigen,’ lacht hij een beetje gespeeld verlegen. ‘Maar er zijn massa’s mooie verhalen over de Borobudur. Neem nu de diefstallen. Doorheen de eeuwen werd de mythische tempel bestolen als gek. Reliëfs, boeddhakopjes of ornamenten, alles werd meegenomen. Maar de grofheid zelve was de koning van Siam (nu Thailand, red.). Op rondreis door Nederlands-Indië bezocht hij in 1886 de Borobudur, en hij vertrok met acht ossenkarren vol beelden en ornamenten - inclusief de enige tempelwachter van groot formaat - terug naar Siam.’

De verstrekte heuvel

We krijgen het gezelschap van Cipto’s collega Joko. Jonger, maar minstens even begeesterd. ‘De eerste intense restauratie werd uitgevoerd van 1907 tot 1911 en was een groot succes,’ vertelt hij enthousiast. ‘De Borobudur was op het eerste gezicht in zijn oude luister hersteld. Wegens het beperkte budget was de restauratie vooral gericht op het verbeteren van de waterafvoer en het herstel van de structuur. Maar een integrale restauratie drong zich op. De Borobudur is namelijk gebouwd op een heuvel en de tropische regenuien zorgden regelmatig voor verzakkingen. Bovendien werden de reliëfs aangetast door mossen en vegetatie.’ De specialisten waren het eens: totale ontmanteling, versterking van de heuvel en wederopbouw bleek de enige remedie. Tussen 1973 en 1984 werd deze klus uitgevoerd. Eindelijk. Omdat de Indonesische regering niet over de nodige middelen beschikte, sprong de Unesco bij. Sinds 1991 prijkt het monument op de bekende werelderfgoedlijst. ‘Sindsdien zijn we gerust wat de officiële bescherming betreft,’ zegt Joko. ‘De Berg heeft rust gevonden.’

Voor ik vanavond terug naar Bali vlieg, wil Cipto me nog meenemen op een tochtje naar Canditroto, een rijstveldenzone op een uurtje rijden van de Borobudur. Er wordt geoogst, dus er valt wel wat te zien. Via een smalle weg waar, typisch voor Indonesië, de bromfietsen alle macht opeisen, rijden we langs panoramische terrassen waar mannen en vrouwen onvermoeibaar door de zompige velden ploeteren. Hier en daar trekken waterbuffels een ploeg. Onderweg vallen me in de dorpen vooral de kleine winkeltjes met houten vogelkooien op. ‘Javanen hebben een traditie van zangvogels,’ legt Bambang, onze chauffeur, uit. ‘Omdat een goede vogel macht etaleert, worden er enorme bedragen voor betaald. Sommige kanaries, duiven of spreeuwen kosten meer dan een Mercedes.’

Wanneer we in de late namiddag in het luchthavengebouw afscheid nemen, willen Cipto en Bambang me nog één Indonesisch grapje vertellen. ‘Zoals je weet, is polygamie hier toegestaan. En we hebben daar ook namen voor. Een man met drie vrouwen noemen we een paradijsvogel, een man met twee een geluksvogel, een man met één vrouw is een… pechvogel.’



Onze GRANDE reporters stellen volgend(e) hotel(s) voor in deze streek

Grande hotels