De baren van Bretagne

Een zeiltocht naar een eiland voor de Bretonse kust stond al langer op het verlanglijstje. Vooral omdat een uitstap naar Bretagne je de kans geeft om de Golf van Morbihan en de steden Auray en Vannes te bekijken.

Een ‘balade en mer’ is ons voorgespiegeld. Een tochtje op de Krog e Barz, de replica van een langoustier (of kreeftenvisser) uit 1909. Met als bestemming het Ile d’Houat aan de zuidkust van Bretagne, onder de Golf van Morbihan.

De avond ervoor zijn we al naar Bretagne afgezakt. De zon speelde toen af en toe verstoppertje, de temperatuur was iets lager dan normaal voor de tijd van het jaar. Maar we hadden er goede moed op. Helaas. ’s Ochtends, op weg naar Port-Navalo, waar Jérôme en schipper Olivier ons staan op te wachten, regent het lichtjes en dat blijkt de voorbode te zijn van een stevige zomerbui... die ongeveer de hele dag zal duren.

De Krog e Barz vaart gezwind de haven van Port-Navalo uit, de zeilen worden bijgezet met de hulp van enkele bereidwillige passagiers en dan stevenen we af op het eiland Houat. Althans, dat is de bedoeling. De wind staat pal op kop en Olivier beslist om eerst even langs de kust te varen om dan verderop de oversteek naar Houat te wagen. Maar zelfs dat is ons niet gegund: de zee is te wild en we krijgen Houat uiteindelijk helemaal niet te zien. En als we uren later weer Port-Navalo binnenvaren, duurt het enige tijd voor ik me weer tiptop voel.

Saint-Goustan en Benjamin Franklin

Zo krijgen we vroeger dan voorzien weer vaste grond onder de voet en dus rest ons nog een mooi stuk van de dag. We trekken naar het stadje Auray. Daar vinden we enkele mooie oude gebouwen, zoals de dertiende-eeuwse Chapelle du Saint-Esprit. Die kapel wordt niet meer gebruikt voor kerkdiensten, wel voor tentoonstellingen. Voor de rest lijkt Auray een kleine Franse doorsneestad te zijn.

Tot we in de richting van de rivier Auray wandelen. Het mooiste deel van Auray ligt aan de andere kant van het riviertje dat zijn naam gaf aan de stad: de haven van Saint-Goustan. De pittoreske Rue du Château, die het centrum van Auray verbindt met het stadsdeel Saint-Goustan, huisvest tientallen winkeltjes met artisanale producten van allerlei slag. Schilders en beeldhouwers tonen en verkopen er eigen werk, een lokale schrijver probeert zelfs het verslag van zijn avonturen op zee te slijten.

De kaden van het haventje van Saint-Goustan dateren van de veertiende eeuw. De Quai Franklin kreeg die naam nadat de Amerikaan Benjamin Franklin hier in 1776 aanmeerde toen hij in Frankrijk steun kwam zoeken voor de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd. Vooral ’s avonds is hier veel sfeer. Een kleine klim naar de Chapelle Notre-Dame-de-Lourdes en de Eglise Saint-Sauveur loont zeker de moeite. Opmerkelijk is het beeld van Sint-Goustan in de preekstoel van de Eglise Saint-Sauveur, alsof de heilige man zonder onderbreken zijn parochianen blijft toespreken.

Menhirs en hunebedden

Iets voorbij Auray, tussen de toeristisch uitgebouwde kustplaatsjes Carnac en La Trinité-sur-Mer, botsen we op enkele van de duizenden megalithische stenen die Bretagne rijk is. Dat de stoere Galliër Obelix en zijn tijdgenoten helemaal geen menhirs maakten, laat staan verkochten (of naar Romeinse legioensoldaten gooiden), is al langer bekend. De intrigerende menhirs zijn ongeveer zesduizend jaar oud en stonden al in deze contreien lang voor de geboorte van Asterix en Obelix. Menhir betekent ‘grote steen’: het Bretonse ‘maen’ is een steen, ‘hir’ betekent groot of hoog.

Om vandalisme voor te zijn, beheert het Centre des Monuments Nationaux de grote menhirparken. Een nieuwe naam (‘Alignements de Carnac’) en discrete omheiningen zijn het gevolg. Een toekomstgerichte zet die wellicht de enige juiste is. Her en der in de streek vind je wel nog menhirs en hunebedden die vrij toegankelijk zijn, maar de grootste ‘parken’, zoals rond Carnac, krijgen meer bescherming dan vroeger.

Zeker bij valavond komen de menhirs behoorlijk imposant over. Natuurlijk, het zijn stenen. Eenvoudige stenen. Of zijn het versteende krijgers? De plaatsing van menhirs in lange rijen, afgesloten door een halve cirkel, zorgt er nog altijd voor dat we niet precies weten wat de functie van deze menhirparken was. Hunebedden (of dolmens) waren grafmonumenten. Maar menhirs? Religie speelde wellicht een rol, maar welke?

Oesters en privé-eilanden

De volgende dag staat weer een boottocht op het programma. In de Golf van Morbihan, deze keer. Dat wil zeggen: op kalm water. Geen paniek, dus! En het regent niet, al zien we de bedeesde zon slechts af en toe door het wolkendek kruipen. We hebben een afspraak met oesterkweker Ivan Sélo. Die heeft zijn uitvalsbasis aan de Pointe de Toulvern, een schiereiland iets onder Baden.

Vlakbij is een hunebed vrij te bezoeken, de dolmen de Toulvern, en we nemen een kijkje voor we Ivan opzoeken. Speciaal aan deze dolmen is de Y-vorm, met twee gangen. De vondst van Romeinse standbeeldjes wijst erop dat deze plek tot in de Gallo-Romeinse periode werd gebruikt als begraafplaats.

Aan de Pointe de Toulvern kun je oesters en vis kopen, iets drinken of het water opgaan met een platte schuit of, intiemer, met een privéjacht. Wij kiezen voor de tocht met de platte schuit, op het ritme van de getijden! Ivan staat zelf aan het stuur van de elektrisch aangedreven en dus milieuvriendelijke boot en toont ons de leuke plekken in de Golf van Morbihan, op weg naar een van zijn oesterbanken. De Golf van Morbihan telt 43 eilanden, vertelt hij, waarvan de meeste in privébezit zijn. Recentelijk werd er nog eentje verkocht, voor twee miljoen euro. En de nieuwe eigenaar, een zakenman, werd verplicht om een kapel en een ander historisch gebouw op het eiland op zijn kosten te restaureren.

Zeesterren

En dan wordt het tijd voor de oesters. “Een oesterbank kun je vergelijken met een wijngaard,” zegt Ivan, “elke oesterbank is anders.” De ligging ten opzichte van de zon, de stroming van het water: dat alles heeft gevolgen voor de smaak van de oesters. Ivan meert aan en zet ons aan het werk. Net als de echte oesterkwekers pakken we de gaaszakken op, kloppen we de oesters los en leggen we vervolgens de zakken omgekeerd op de houten constructie, waarna Ivan de zakken weer vastlegt. Het is niet de bedoeling dat ze bij hoogtij gaan zwemmen!

De oesters liggen enkel bij hoogtij onder water en dat zijn de momenten waarop oesters groeien. De kweek van oesters neemt ongeveer drie jaar in beslag en in die tijd krijgen de oesters ongeveer tachtig ‘behandelingen’, waarvan dertig in het eerste jaar. Ivan kweekt ook oesters die permanent in het water liggen, en die hebben een andere smaak, vertelt hij.

Ivan vraagt ons wat de natuurlijke vijanden zijn van de oesters, behalve de mens (en het schadelijke virus). Antwoord nummer één: de zeester. Voor ons is de zeester een leuk en fotogeniek wonder der natuur, voor oesterkwekers is het weekdier een taaie tegenstander. Andere natuurlijke vijanden van de oester zijn onder meer de alikruik en de sparus aurata orata, een soort zeebrasem. Voor de mens is de oester geen vijand, maar een lekkernij. Ivan schotelt ons tijdens de tocht enkele borden met superverse oesters voor. Puur natuur, en overheerlijk!

Vannes

De laatste etappe in deze weerbarstige streek leidt ons tot in Vannes. Dat is een heel oude stad: de hoofdstad van de Gallische stam van de Veneti. Toen heette de stad (in het Latijn) Darioritum, de huidige Franse naam is afgeleid van de naam van de Gallische stam. In het Bretons heet de stad Gwened en als je die 'g' weglaat, krijg je een klank die ook naar de Veneti lijkt te verwijzen.

Vannes was in de middeleeuwen een residentie van de hertogen van Bretagne en raakte later in verval. Doordat de tijd was blijven stilstaan, was er geen (economische) behoefte aan het vervangen van oude gebouwen door nieuwe. Pas sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw werd de stad grondig gerestaureerd.

Dé trekpleister van de stad is de stadsmuur, die grotendeels bewaard is gebleven. Sommige delen van de muur zijn in privébezit en daardoor niet te bezichtigen. Aan de oostkant van de stad is gelukkig een behoorlijk lang stuk vrij te bezoeken. Het oudste gedeelte van de ommuring dateert van de Gallo-Romeinse periode. De oude gevangenispoort, de kruidtoren, de Tour du Connétable en de majestueuze Porte de Saint-Vincent zijn de kersen op de taart. Van recentere datum zijn de lavoirs, wasplaatsen die tussen 1817 en 1821 aangelegd zijn net buiten de stadsmuren en waar de huisvrouwen (of de meiden) linnengoed kwamen spoelen in de Marle. De was is verdwenen, nu rest enkel het pittoreske uitzicht.

Vannes en zijn vrouw

De Porte de Saint-Vincent verbindt de oude stad met de jachthaven, vroeger de commerciële haven van de stad. We keren op onze stappen terug en trekken de oude stad in. De Place des Lices is een geliefkoosde pleisterplaats voor wie aan een koffie of een fris drankje toe is. Heel intiem is dan weer de Place Valencia, waar in de gevel van een zestiende-eeuws vakwerkhuis twee figuren in graniet de voorbijgangers gadeslaan. Een lolbroek heeft het koppel ooit ‘Vannes en zijn vrouw’ genoemd en zo hebben ze intussen de geschiedenisboekjes gehaald.

Mooi is ook Château Gaillard, een pand uit 1410 en nu de thuisbasis van een archeologisch museum. Het meest fotogenieke plekje is echter de Place Henri IV, met een reeks mooie vakwerkhuizen waarboven de trotse Cathédrale Saint-Pierre uittorent. Die kathedraal is een amalgaam van bouwstijlen, met een klokkentoren in romaanse stijl, gotische verbouwingen uit de vijftiende eeuw en een negentiende-eeuwse, neogotische gevel. Mij bekoort vooral de opvallende ronde zijkapel in renaissancestijl. Mooi strak, zowel aan de straatzijde als binnenin, waar de kapel het grafmonument van de patroonheilige van Vannes omringt, Sint-Vincentius.

La Cohue

We lopen de kathedraal uit en botsen op La Cohue. Coc hug is Bretons voor markthallen en dat is precies wat La Cohue van de dertiende tot de negentiende eeuw was: een overdekt marktgebouw. Beneden vond de markt plaats, boven werd recht gesproken. La Cohue is nu een museum voor moderne kunst en dat geeft de bezoeker de mogelijkheid om overal in het gebouw een kijkje te nemen, trap op en trap af.

Onze wandeling eindigt aan de Porte Prison, de oude gevangenispoort. Dat was eigenlijk de noordoostelijk gerichte hoofdingang van de stad en deze poort heette oorspronkelijk de Sint-Paternpoort. Een gevangenis werd het gebouw pas tijdens de Franse Revolutie. Een van de twee oorspronkelijke torens werd in de negentiende eeuw gesloopt. En die Sint-Patern? Die heeft een eigen wijk, net buiten de stadsmuren. Dat was een wijk met ambachtslui waarvan het beroep te gevaarlijk was om binnen de stad uit te oefenen, zoals leerlooien. Nu is het een buurt waar bars en restaurants over elkaar struikelen.

Conleau

’s Avonds eten we in een restaurant op het schiereiland Conleau, een paar kilometer ten zuiden van het centrum. Conleau was een eiland tot in de negentiende eeuw. Toen vonden de Vannetais – dat zijn de inwoners van Vannes – het welletjes en legden ze een dijk aan. Er is een jachthaven en een veerpontverbinding naar eilanden in de Golf van Morbihan. En mijmerend over die Golf noteren we dat we zeker terugkomen, wanneer de zon schijnt!

Onze GRANDE reporters stellen volgend(e) hotel(s) voor in deze streek

Grande hotels

"

Straatsburg bezoeken, én genieten van de natuur en de rust!

..."
"
Vlamingen Eli en Evelyne De Maeyer trokken naar Agonac in de Dordognestreek om hun droom waar te maken.
..."
"

Mas La Forestière is een luxueuze vakantievilla voor 8 à 10 personen in de Alpes-de-Haute-Provence in Zuid-Frankrijk.

..."
"

La Villa Verde betekent 'L' Art de vivre' aan de Azurenkust in het residentiële Boulouris, St. Raphaël.

..."
"

In de Gard nabij Uzès en kortbij Avignon en Nïmes ligt Mas du Temple, een luxe nieuwbouwvilla die je kan huren voor korte en lange verblijven.

..."
"

Luc en Cindy ruilden hun restaurant in Maasmechelen in 2017 voor een chambres d'hôtes en table d'hôtes in de rustige en landelijke Auvergne.

..."
"

Welkom bij Belgen in Zuid-Frankrijk! L’ Ancien Mas Bouzige ligt in het departement Gard, tussen de Cevennen, de Ardèche, de Provence, de Camargues en de Middellandse Zee.

..."
"

In de Provence ligt in Séguret – een van de ‘Plus Beaux Villages de France’ - het ‘Domaine de Cabasse’.

..."
GRANDE reporter Gert Van Wichelen
bezocht deze B&B en schreef:
"

In de vallei van de Dordogne ligt net buiten Souillac het vakantiedomein Le Manoir.

..."
"

In het gezellige kustdorpje Ambleteuse aan de Opaalkust word je hartelijk verwelkomd door gastvrouw Jennifer in hotel Les Argousiers.

..."