Costa del Sol & Costa de la Luz: een rondrit door het zinderende zuiden van Spanje

Mijn zwak voor Spanje en zijn inwoners, beter bekend als hispanofilie, is meer dan twintig jaar geleden in Málaga begonnen. Na verdere omzwervingen tussen de Pyreneeën en de Portugese grens ben ik voor het eerst sinds 1995 terug aan de bron van mijn nooit aflatende heimwee, voor een rondreis langs de Costa del Sol en de Costa de la Luz. Een blij weerzien waar enkele onverwachte staartjes aan vasthingen.

Toegegeven, die zwak is vooral begonnen met mijn lerares Spaans en haar tongpuntje dat telkens verscheen bij de slisklanken. En de cursus was niet in Málaga, wel in Benalmádena, Arroyo de la Miel, een kustplaatsje op een halfuurtje onder de stad. Arroyo de la Miel betekent « beek van honing ». Geef toe, zo mooi verzinnen wij ze niet. De naam klinkt in ieder geval beter dan het betonnen gedrocht dat ze ervan gemaakt hebben.

Málaga was in die jaren niet veel beter, een lelijke stad zelfs, vooral rond de haven. Terwijl er nu superjachten aanmeren als de « Octopus » uit Georgetown (Bahamas), met twee helikopters en twee onderzeeërs aan boord. Het betekent dat je er als stad in geslaagd bent om jezelf aantrekkelijk te maken. Málaga is niet meer morsig zuiders, wel verlokkelijk mediterraans. Vooral de haven heeft een opknapbeurt gekregen en dat merk je aan de prijskaartjes in zijn handelszaken.

De poëzie van Picasso

In de ban van het zachte voorjaarslicht, de kleurrijke graffiti en de straatpoëzie wordt me duidelijk hoe deze stad een schilder als Pablo Picasso heeft kunnen voortbrengen. Dat mooie strijklicht ‘s morgens en in de late middag voedt het verlangen naar beeldend talent om haar kleuren op canvas vast te leggen, voor de nacht ermee wegloopt. Langs de uitgedroogde bedding van de Río Guadalmedina, waar gevoetbald wordt en skateboarders hun kunsten vertonen, kan je de kunstwerken van lokale gevelartiesten bewonderen en vanop het Castillo de Gibralfaro krijg je op een onbewolkte dag de kleurenrijkdom rond de Plaza de Toros en de haven gepresenteerd.

Als je toch naar boven trekt, mag je het Moorse Alcazaba (fort) niet overslaan, voor een stuk opgetrokken uit bouwmateriaal van het Romeins theater aan zijn voet. Op de top kun je genieten van het uitzicht bij een koffie in de parador. De stad zal de honger en dorst van de gedane inspanningen wel stillen: de buurt tussen de Plaza de la Merced en de Plaza Marqués del Vado del Maestre krioelt ‘s avonds van de bars, de restaurants én de Malagezen.

Iconische rots

Verder naar beneden langs de kust kun je de drukte van Marbella vermijden door het anker uit te werpen in San Pedro de Alcántara, dat wat van zijn oorspronkelijke charme bewaard heeft en veel strand in de strijd werpt. Om Gibraltar te bezoeken en de portefeuille geen pijn te doen, houden heel wat mensen halt in La Línea de La Concepción, net voor de Britse grens. De iconische rots en het stadje dat eromheen geplooid ligt, zie ik als de Spaanse versie van een Engels toeristenoord: wanordelijker, levendiger en zonniger.

Ze rijden er wel rechts en betalen doe je met een locale variant van het pond, in Euro of met de kaart als je het wisselen wil vermijden. Vanop de tip zie je Marokko, de Spaanse enclave Ceuta en rechts van je Tarifa liggen, dat nog dichter tegen het Afrikaanse continent aanschurkt. Ik botste op mijn wandeling daar naartoe op een bende apen, die van hun rots gedonderd waren en op zoek gingen naar de dichtstbijzijnde vuilnisbelt.

Onverwachte pareltjes

Aan stadjes zoals Tarifa, eigenlijk een uit de kluiten gewassen dorp, heb ik mijn hart verpand: zoemend van activiteit en nationaliteiten, vol onverwachte pareltjes. Zoals de Plaza de Santa María, beter bekend onder de naam Plaza de la Ranita (Kikkerplein) door zijn moors aandoende fonteintje, of het labyrint van nauwe steegjes in de casco historico (het stadscentrum), dat krioelt van de onooglijke barretjes waar bandjes en hun publiek met de schoenlepel ingewurmd worden.

Tarifa staat vooral bekend als surfparadijs door de alomtegenwoordige winden op het kruispunt van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, maar het is ook een pitstop voor de ferries van en naar Tangiers, waar volledig met meubilair beklede, aftandse camionettes in de wachtrij staan voor dure superbolides. Langs de kade bieden reisagenten trips aan naar Afrika en bootexcursies om walvissen en dolfijnen te gaan spotten. Tegenover de vertrekplaats van de ferries vult de place m’as-tu-vu zich met flaneurs voor de ogen van de hongerige toeristen op de terrasjes.

Witte dorpen

Ter afwisseling trek ik het binnenland in, naar Vejer de la Frontera, een van de bekende “pueblos blancos” (witte dorpen) en ooit verkozen tot tweede mooiste dorp van Spanje. Hoewel je er pittoresk kunt verdwalen in de op- en aflopende steegjes en het dorp panoramische vergezichten op de omgeving biedt, hou ik het in die warmte snel voor bekeken tot me opvalt hoe verschillende vrouwen met zwierige flamenco-jurken de andere kant opgaan als de meeste toeristen. Bij navraag blijkt net buiten de dorpskern de Feria de la Primavera (het Feest van de Lente) plaats te vinden, een dorpskermis met stijl. Altijd goed voor wat couleur locale op het geheugenkaartje en een tapaatje of drie terwijl je ernaartoe stapt.

In de Spaanse Far West

Cádiz is dan weer wat verbleekt bij mijn herinneringen. Het is een grote, drukke en moderne stad geworden met een typische oude kern. De kilometerslange strandpromenade kan wel bekoren: breed, proper en met fietspad. Heel populair bij joggers, rolschaatsers, fietsers, flaneurs, gluurders en straatmuzikanten.

Heel Spanje heeft een facelift ondergaan. Zelfs in het uiterste zuiden vind je nu overal vuilbakjes op straat, er wordt in bijna elk gat een beetje Engels gebrabbeld en de menu’s zijn in de meest courante Europese talen vertaald. De charme van aangename verrassingen bij het bestellen van eten of drank is op die manier wel verdwenen. Eén advies blijft overeind: wees op je hoede. Vlak voor het hotel, nochtans geen louche achterbuurt, ben ik getuige van een terrasdiefstal, waarna twee jongeren wegvluchten op een brommer. Volgens een spandoek gericht aan de Andalusische deelregering ligt de werkloosheid hier op een onhoudbare 40%.

Op zoek naar een verblijfplaats van waaruit ik makkelijk het nationaal natuurpark Doñana kan bezoeken, lijkt het plots of ik een ander tijdperk op de GPS heb ingegeven in plaats van het gehucht El Rocío, op een uur rijden voorbij Sevilla. Ik ben in de Far West beland, waar alles op cowboys voorzien is: zandwegen in plaats van verharde straten, houten saloonbalken waar je je paard aan kunt vastbinden en de ene handelszaak na de andere met accessoires voor paard en ruiter.

Het is niet eens een gimmick om bezoekers te lokken. Als de hitte van de dag bij valavond wat weggetrokken is, draven de ruiters alleen of in trosjes voorbij. Dit dorp van 8000 inwoners leeft vooral van de veehouderij, het toerisme naar het nationaal park en de Romería, een beroemde katholieke bedevaart die op Pinksteren elk jaar tussen de één en anderhalf miljoen pelgrims lokt. Ook de roofvogels die over dit al bij al redelijk uitgestrekte dorp cirkelen, dragen bij tot het beeld van een pioniersdorp in het Verre Westen.

Het nationaal park zelf kun je enkel via een begeleide excursie of vanaf de vastgelegde wandelpaden bij de bezoekerscentra bewonderen, maar de gevarieerde flora en fauna compenseren die beperkingen ruimschoots. De Spaanse koning komt hier trouwens jagen op zijn privé-domein, dat er deel van uitmaakt.

Idyllische binnenwegen

Op de terugweg naar Málaga doe ik nog twee sympathieke provinciestadjes aan voor een lepeltje authenticiteit: Carmona, net voorbij Sevilla, en Antequera, dat zo’n 50 kilometer van eindbestemming Málaga ligt. Zalig om over die idyllische en gehavende binnenwegen te laveren, zeker als je niet van autorijden houdt op het verstopte en mistroostige Belgische wegennet.

Van Carmona herinner ik me vooral de piepkleine bar met één toilet voor mannen én vrouwen, waar alle hoofden naar de voetbalmatch op het flatscreen aan de muur gericht waren en de norse bazin tongstrelende riñones al jerez (niertjes in de sherry) met een royaal stuk brood voor me klaarmaakte. De rekening bedroeg 2,8 euro, drank inbegrepen.

In de buurt van Antequera is el Torcal een aanrader, de spectaculair door de natuur gebeeldhouwde rotsen die boven de omgeving uittorenen. Sommige lijken op een stapel versteende pannenkoeken, van waarop nu en dan een berggeit haar terrein komt inspecteren.

Onze GRANDE reporters stellen volgend(e) hotel(s) voor in deze streek

Grande hotels

"

Verrassend logeren of luxueus kamperen? Valle de Oro is de perfecte locatie om heerlijk te lanterfanten op het ritme van het zuiden.

..."
"

Middenin het plattelands hartje van Málaga, in Gibralgalia, ligt Posado Los Cántaros.

..."
"

Casa La Nuez is een B&B voor maximum 6 personen (en 2 kinderen extra) in het landelijke dorpje Los Rios, vlakbij Almedinilla en midden in het landschap van de provincie Cordoba tussen Priego de Cordoba en Alcala la Real.

..."
"
Chambres d'hôtes Lasnavillasmm ligt in het mooie bergdorpje Montefrio tussen Granada en Cordoba.
..."
"

In Casa Roble word je onthaald op een top locatie aan de rand van het dorpje Competa, op 50km van Malaga.

..."
"

Kathy en Guy verwelkomen jullie met open armen in hun volledig vernieuwde Valenciaanse villa.

..."