Brief uit Jordanië

Beste imaginaire reizigers,

We hadden het vergeelde luchthavengebouw nog niet verlaten, of gids annex chauffeur Issam toeterde al de loftrompet over zijn Amman. Hoe veilig het wel was, hoe mooi, hoe multicultureel… “Tegenover elke gesluierde vrouw staat een minirok, tegenover elke moskee een kerk”, weet Issam. “Want Jordanië is een gematigd land, mijnheer. Niet westers, wel modern. Een harmonieuze smeltkroes van culturen.” Het was al te laat op de avond om meteen over de politiek van het Midden-Oosten te gaan doorbomen, zeker nu buurland Syrië compleet op hol geslagen is. 

Op deze januariavond, met de wind pal uit het noorden, laten ze hier in de hoofdstad amper zes graden optekenen. Onze eerste nachtelijke indruk van Amman is dat het op Caïro lijkt, maar dan in een beschaafde vorm: er wordt minder geclaxonneerd, minder geroepen en iets ordelijker geparkeerd. Bijna de helft van de ruim vier miljoen Jordaniërs woont in de hoofdstad, wat niet zo gek is, want het land bestaat voor negentig procent uit woestijn.

Het parcours van deze reis is uitgetekend als een lange lus, met de twee parallelle wegen die Jordanië van noord naar zuid doorkruisen als leidraad. Vanuit Amman reizen we oostelijk zuidwaarts via Nebo en de Mujib Canyon naar Wadi Rum.  Vervolgens zullen we Petra bezoeken om dan via de westelijke koningsweg en de Dode Zee terug in de hoofdstad te arriveren.

De 840 meter hoge Nebo

Na een korte stadstour, waarbij Issam vooral de Citadel wou laten zien – ook al is de oude Romeinse akropolis helemaal verdwenen, het uitzicht op de stad met haar ontelbare moskeeën en heuvels is fantastisch – verlaten we de metropool in zuidelijke richting. Eerste stop is de berg Nebo. Met z’n 840 meter is het niet de hoogste top van de omgeving, maar wel de bekendste.

De legende gaat dat Mozes hier gestorven zou zijn nadat hij vanop deze piek het Beloofde Land had mogen aanschouwen. Een ijzeren beeld herinnert de bezoekers aan de staf van Mozes, die door God in een slang werd veranderd. Laaghangende wolken die overgaan in mist belemmeren het zicht op de Dode Zee, de Jordaan, de oase van Jericho, de olijfberg in Jeruzalem en het imposante Judeagebergte. Pech.

Mozaïekkunst in Madaba

Maar niet getreurd, als waardig alternatief stelt Issam Madaba voor, een kleine stad die in de Byzantijnse tijd een belangrijk opleidingscentrum voor mozaïekkunstenaars was. Vandaag bloeit deze specialiteit weer helemaal. 

We gaan lunchen in Haret Jdoudna – letterlijk: wijk van de voorvaderen – een ‘cosy and classy’ adresje uit 1905, ooit nog een klein hospitaal, waar de authentieke Jordaanse keuken van goede kwaliteit geserveerd wordt. Ondertussen leren we wat echte gastvrijheid in Jordanië betekent; het staat gelijk aan overvloed. In geen tijd staat de hele tafel vol mezze, en dan moet het hoofdgerecht nog geserveerd worden.

’s Namiddags bezoeken we privé de Grieks-orthodoxe Sint-Georgekerk – het best bewaarde christelijke monument in Jordanië – waar zich een zestien meter lange mozaïeken kaart van Palestina bevindt. Miljoenen steentjes, waarop de pelgrims zich oriënteerden in het beloofde land. Vervolgens tuffen we aan een gezapig tempo door de bergen tot in de vallei van het roemrijke Evason Hot Springs Hotel, 264 meter onder zeeniveau, het absolute orgelpunt van de dag.

Een uur later liggen we in een zwembad van 43 graden onder een waterval te genieten van een hemel vol sterrenpracht terwijl wierook de massa vliegen op afstand houdt. Een lokale amberkleurige pils – met acht procent alcohol, nota bene – spoelt het woestijnzand door. Hier zal ik twee dagen blijven. Om te lezen, te baden en te genieten van een soort tijdloze schoonheid.

De Jordaanse Grand Canyon

We doorkruisen we de Mujib-vallei – de Jordaanse Grand Canyon, zeg maar – en daarna lunchen we naast het fort van Kerak, welgekomen afwisselingen op de monotone landschappen waar vrachtverkeer als mieren over het warme asfalt kruipen. Het doet ons denken aan de oneliner van reisauteur Paul Theroux: “Echt reizen is op weg zijn naar nergens, maar nergens is ook een bestemming.”

Gewoon onderweg zijn dus, maar met een beloning: Wadi Rum, de ruige woestijn in het zuidelijke puntje van Jordanië. De zon staat al laag wanneer we de toegangspoort van de site bereiken. Hier zullen we Issam moeten achterlaten. Hij mag er met zijn privéwagen niet in, dit is gecontroleerd bedoeïenenland. Ooit waren ze de oorspronkelijke bewoners van Jordanië, maar tegenwoordig vormen ze met 150.000 mensen een kleine minderheid.

Overstappen in de aftandse Toyota Land Cruiser-terreinwagens, luidt de boodschap. M’n chauffeur – ‘My name is Houada, but you can call me Audi’ – bedient zich van te grote versleten mocassins en maakt verdacht krakende bewegingen met de versnellingspook.

We slingeren als een geitenjong tussen kriskras verspreide rotspartijen, ertussen ligt roze, geel en bruin zand. Wat een rit. Wanneer we het uitkijkpunt voor de zonsondergang bereiken, zijn we getuige van een walhalla van kleuren. In se is er niets, enkel ruimte, een maanlandschap, desolaat en verzengend. Niet te verwonderen dat een deel van de spektakelfilm ‘Lawrence of Arabia’ van David Lean uit 1961 hier gedraaid werd. Cast en crew verbleven toen een half jaar in deze woestijn. De charismatische hoofdrolspeler Peter O’Toole werd er wereldberoemd mee, net zoals de film van Omar Sharif een ster maakte.

Koude in tentenkampen

Het is al pikdonker wanneer de chauffeur ons in het King Aretas Camp dropt, een van de 35 officiële tentenkampen in deze onherbergzame woestenij. “Jullie hebben je moment wel gekozen”, lacht kampmanager Raffi. “De temperatuur zal vannacht onder nul gaan.” Raffi is fier op zijn bedoeïenententen op heipalen, hij spreekt zelfs van een zevensterrencomplex. We eten ‘mansaf’, het nationale gerecht dat bestaat uit gaar gesudderde stukjes schapenvlees, rijst, graankoekjes en amandelschilfers overgoten met een yoghurtsaus. ’s Nachts besterven we het van de kou, we zijn niet ongelukkig als om zes uur het eerste zonlicht door de tentnaden priemt.

Van de woestijn naar de zee. Als tussenstop op de route verblijven we één nacht in Aquaba, badplaats in het vierlandenpunt Egypte, Israël, Jordanië en Saudi-Arabië. Het is een wereld van hotels, geldautomaten, winkels en gsm-netwerken. Met de roep van de woestijn nog in de knoken voelen we ons niet echt thuis.

Achtste wereldwonder

Terug en route, en wel de Koningsroute naar Petra. Al ten tijde van Alexander de Grote was het mysterieuze Petra een van de hoogtepunten van Decapolis, het machtige stedenverbond langs de Koningsweg. Tegenwoordig is van deze vijfduizend jaar oude karavaanroute van Damascus in Syrië naar de Nijldelta in Egypte niet meer over dan een geasfalteerde weg langs stofferige provinciestadjes. Niet getreurd. Vandaag is niet de reis de bestemming, maar de bestemming de reis. 

Rond het begin van onze jaartelling was Petra de hoofdstad van het immense rijk der Nabateeërs, een nomadenvolk dat aanvankelijk leefde van overvallen op handelskaravanen. Op het hoogtepunt woonden er 25.000 mensen. Vandaag is er veel te veel volk, een ware toeristenkermis aan de toegangspoort en een toegangsprijs van 55 euro. Maar wanneer we een half uur later aan het uiteinde van de nauwe toegangskloof een felgele streep zonlicht de contouren van de Schatkamer zien verlichten, zijn we alle futiliteiten vergeten. De adembenemende façade is zeker dertig meter hoog, met daarachter nog eens een acht meter diep vertrek. De statige pilaren en beelden zijn van boven naar beneden uit de honingkleurige rots gehakt. Petra betekent dan ook letterlijk ‘rots’. Het staat ook bekend als de Roze Stad of het achtste wereldwonder.

In 2007 werden zeven nieuwe wereldwonderen verkozen en op die lijst staat ook Petra. Wie hier nog niet geweest is, kent het zeer waarschijnlijk uit de slotscène van de avonturenfilm ‘Indiana Jones and The Last Crusade’. Steven Spielberg tapte toen gulzig uit het Jordanië-vaatje. Wat Petra bijzonder maakt, is dat het niet gebouwd is, maar gehouwen. Neem alleen al de toegang van deze stad die in een diepe vallei in het gebergte is verstopt. Het is een wandeling – de Siq genoemd – van 1,8 kilometer door een kloof van amper twee meter breed en zeker tachtig meter hoog.

De Dode Zee

Via Araba Valley Road bereiken we de volgende middag de laatste blikvanger van de reis: de Dode Zee. Dus officieel het laagste punt ter wereld: 417 meter onder zeeniveau. De Dode Zee – met een zoutgehalte van 33%, tien maal meer dan het gemiddelde, meteen ook de zoutste zee ter wereld – kent een ritueel: drijvend je krant lezen. 

Net als we denken dat we kopje onder gaan, veren we omhoog. We drijven... Eigenlijk is dit een van de meest bizarre spelingen der natuur, want dit is geen zee. Er is geen branding, er waait geen zeebries en er krijsen al helemaal geen meeuwen. Er is alleen groenblauw water, aangevoerd door de Jordaan en een tiental kleinere riviertjes. Het verdampt met miljoenen liters per dag, waarna alleen mineralen achterblijven. Jaarlijks daalt het waterpeil met bijna een halve meter. De vraag is dus: wanneer zal al het water verdampt zijn?

Genietend van die tijdelijke sensatie bijna gewichtloos te dobberen op het laagste punt op aarde, groeten we jullie!

Tot snel,

Onze GRANDE reporters stellen volgend(e) hotel(s) voor in deze streek

Grande hotels