Metropool Tokio of de Mongoolse steppe?
“Geef mij maar de steppe. Ik ben grootgebracht op het platteland en mijn ziel moet daar nog altijd ergens onder een struik liggen. Als we op vakantie gaan, kies ik dus meestal voor natuur. Dan huren we een huisje ergens te midden van het niets. Het zogenaamde niets, want voor mij is dat vaak zoveel meer dan wat steden te bieden hebben. Zo hebben we eens anderhalve maand een huis gehuurd in de Northern Province van Zuid-Afrika. Maar meestal pikken we er een streek uit in Frankrijk.”
Oost of west?
“Oost. Ik ben twintig jaar geleden voor het eerst in Indonesië terechtgekomen en dat was voor mij een openbaring. We zijn er sindsdien al een keer of vier teruggeweest, vooral in Bali en Lombok. De natuur is er prachtig. Als je eenmaal de geur van een tropisch woud hebt geroken, vergeet je dat nooit meer. De spiritualiteit van het Oosten spreekt me ook erg aan. Het hindoeïsme is er nog volop aanwezig in het dagelijkse leven en dat merk je. Lichaam en geest zijn er in evenwicht, wat je van het Westen niet altijd kunt zeggen. Ik ben vorig jaar voor het eerst in Amerika geweest, en daar is dat evenwicht echt ver te zoeken.”
Plaatselijke sjamaan of een goede reisverzekering?
“Reisverzekeringen sluit ik eigenlijk maar af sinds we kinderen hebben, en voor mezelf durf ik het nog altijd wel eens te vergeten. Als puntje bij paaltje komt, ben ik trouwens toch eerder geneigd om die sjamaan aan te spreken dan een beroep te doen op mijn verzekering. Ik koester geen westers wantrouwen tegen andere vormen van geneeskunde.”
Tentje of roomservice?
“Dan toch liever roomservice. Ik kan echt genieten van hotels met alles erop en eraan. Als er ergens ter wereld een achtsterrenhotel zou bestaan, dan wil ik dat ooit gezien hebben. Tenten zijn niet echt aan mij besteed, hoe graag ik ook onthecht raak. Zelfs kamperen met de kinderen spreekt me niet echt aan.”
Zon of sneeuw?
“Sneeuw of, als het even kan, zon én sneeuw. Skivakanties vallen bijna nooit tegen. We gaan heel graag naar Oostenrijk, veel liever dan naar Frankrijk, waar je toch vaak in betonnen restaurants en drankgelegenheden terechtkomt. Dan zeggen de Oostenrijkse Gemütlichkeit en de antieke uitstraling van de dorpjes me veel meer.”
Meebrengen: een minitoren van Pisa of een fles balsamico?
“De balsamico, zonder twijfel. Als acteur ben ik al zoveel met mijn hoofd bezig dat ik in mijn vrije tijd graag de handen uit de mouwen steek in de keuken. Af en toe breng ik dus wel een lokale specialiteit mee naar huis. Zo heb ik vorig jaar de Franse coeur de boeuf-tomaten ontdekt. Wel, daar hebben we thuis nog dagenlang schijfjes van afgesneden. Heerlijk hoe die in je mond smelten!”
Dit interview verscheen eerder in het reismagazine GRANDE.












